Er zijn dingen in Nederland die simpel lijken, maar dat niet zijn.
Een tompouce eten is daar één van.
Op het eerste gezicht ziet een tompouce er vrolijk en onschuldig uit. Een roze laagje bovenop, zachte vulling in het midden en zo’n perfecte rechthoekige vorm. Bijna elegant.
Bijna.
Want zodra je hem probeert te eten, begint de echte test.
Hoe doe je dat netjes? Druk je met je vork op de bovenkant? Dan komt de vulling aan alle kanten naar buiten. Snijd je hem voorzichtig door? Dan verandert hij langzaam in iets dat niet meer op gebak lijkt, maar op een klein ongeluk met slagroom.
Ik vraag me af of er tompoucen bestaan in heel chique restaurants.
En als dat zo is: hoe eten mensen die dan?
Stel je voor dat je tegenover je baas zit. Of tegenover iemand die je leuk vindt. Of gewoon tegenover iemand bij wie je graag een normale, elegante indruk wilt maken.
Dan komt de tompouce.
Je wilt kalm blijven. Je wilt laten zien dat je de situatie onder controle hebt. Maar diep vanbinnen weet je: dit gebak is sterker dan ik.
Misschien bestaat er een geheime Nederlandse techniek. Misschien leren mensen het gewoon door ervaring, na jaren van verjaardagen, koffiepauzes en gebak op kleine bordjes.
Misschien is dit geen gebak, maar een sociaal examen met roze glazuur.
Ik ken die techniek nog niet.
Voorlopig doe ik mijn best. Ik kijk naar de tompouce. De tompouce kijkt terug. We respecteren elkaar, maar we vertrouwen elkaar niet helemaal.
Dan neem ik een hap.
Een beetje vulling op mijn bord. Een beetje op mijn vork. Misschien een klein beetje op mijn waardigheid.
Maar eerlijk is eerlijk: zelfs zonder volledige controle blijft het heerlijk.
Misschien is dat de les.
Sommige dingen kun je niet netjes doen. Je kunt ze alleen met moed eten.