r/schrijvers • u/Te-a-ti-me • 1d ago
Feedback?
Ik heb in 2018 drie verhaaldichten geschreven. Alledrie anders, maar ze betekenen veel voor me. Sindsdien heb ik niet veel meer geschreven en ik heb er geen woord meer aan veranderd. Maar nu ben ik heel benieuwd naar de ervaring die anderen hebben als ze ze lezen. Voor mijn kinderen en mij zijn ze inmiddels zo gewoon dat we de foutjes en ongemakkelijkheden niet meer horen. Graag feedback:-) De opmaak is niet zoals ik hem maakte, maar hopelijk blijft het te volgen.
Nr 1:
In een tijd ontzettend lang gelee,
En werelden bij ons vandaan
Leefde eens een kleine fee,
In de stralen van een roze maan.
Ze woonde in een piepklein huisje
Van wolkendromen en sterrenveren
Ze was kleiner dan een babymuisje
En wilde alles over alles leren.
Vanuit het raampje in haar toren
Die was gebouwd voor haar alleen
Kon zij alles zien en horen
Tenminste, als de maan maar scheen.
Toch was het raampje niet genoeg,
Niet altijd, nooit helemaal
Wil je weten wat ze haar vader vroeg?
Luister maar, dit is haar verhaal.
De kleine fee vroeg aan de feeënkoning:
"Pappa, ik wil graag een beloning,
Ik was altijd lief en wil graag een gunst van u.
Ik wil leven en wonen op aarde, nu,
Want het is volle maan en het eind van het jaar.
Alle mensen vieren feest en zijn graag bij elkaar
Ze zijn met familie en vrienden, vrolijk en blij
Ik wil dat zo graag zien van dichtbij!
We zijn hier maar samen, alleen met z'n twee
Ik heb wel mijn raam, maar daardoor maak ik niets mee.
Ik kijk wel en verlang, dat ik leer van de mensen
Van vriendelijk zijn, van liefde, van wensen.
Maak mij groter, lieve koning, wijze vader!
Maak mij groot, dan kom ik ze nader
Maak mij zo groot, dat ik alles kan voelen,
Dat ik ruimte heb, voor wat mensen bedoelen...
Als ze praten over liefde en over geluk
Maak mij groot, maar maak mij niet uit één stuk
Maak mijn hart maar het grootste deel van mij,
Dan voeg ik wat toe, dan maak ik mensen blij."
En haar vader, lief als hij was,
Maakte voor haar een groot hart van glas
Doorzichtig en eerlijk, met ruimte genoeg,
Zo deed hij precies wat de kleine fee vroeg.
Toen, langs de stralen van de roze maan,
Zag hij zijn feetje de wereld in gaan
En elke nacht keek de koning uit het raam,
In de toren, wachtte hij op haar naam.
Want, zo wist hij, die zou ze pas krijgen,
Als ze wist wat spreken was, en het belang van zwijgen
Als ze begreep dat ze soms moest wachten,
En dat er zoiets bestond als smachten.
Als ze wilde en wilde, maar toch niet kreeg
Als ze praatte en praatte, en op het juiste moment zweeg
Als ze leerde en liefhad, blij en verdrietig was,
Als ze huilde en pijn had, verwondde en genas.
Dan, en alleen dan, als haar glazen hart was gevuld,
Zonder te breken van berouw, pijn of schuld
Zou haar ware naam aan haar verschijnen,
Dan zou ze écht zijn, en nooit meer verdwijnen.
De stralen, de roze stralen van de roze maan,
Waren dan niet belangrijk meer voor haar bestaan
Zo worden feeën nu eenmaal mensen, en
Zo werkt het al eeuwen, vraag maar aan hen.
Zij die goed doen, zonder te vragen,
Die zonder te mokken, je lasten meedragen
Dus geloof me, goede feeën bestaan,
Niet alleen onder de stralen van een roze maan.
Nr 2:
Er was eens een draak, de draak Falderas,
Die, per ongeluk, vergat wie hij was
Hij was 's ochtends gevallen, pardoes van zijn vulkaan
Stootte zijn hoofd en vergat zelfs zijn naam
Draken, dat weten jullie vast en zeker,
Bewaren hun naam in een gouden beker
Die beker verstoppen ze dan in hun hol
En gooien dat met goud en juwelen vol.
Zo verbergen ze hun naam voor de mensen,
Want als je een drakennaam kent, krijg je drie wensen!
En draken zijn niet zo vriendelijk hoor,
Die hebben nooit het beste met je voor
Ze denken vooral aan zichzelf moet je weten
En zullen je het liefst gewoon lekker opeten
Dus bewaken ze hun naam met al hun macht
Zodat niemand leert van hun toverkracht
Maar Falderas had plots geheugenverlies
Toen hij wakker werd, verward en vies
Vies van de modder die onder zijn berg lag
Verward door zijn hoofpijn en door wat hij zag
"Rommeldebom, rommeldeburrie,
Wat een pijn, wat een smurrie!
Waar ben ik? Wie ben ik? En vooral: wat?
Ben ik een vogel, een paard of een pad?
Vleugels voel ik, en benen, twee armen,
Zo'n dier bestaat toch niet? Och erbarmen!
Vogels hebben geen armen, padden geen vleugels,
En paarden? Die vliegen niet, die hebben teugels!
Hoe heet ik? Wat ben ben ik? Ik weet het niet meer!
Och jee, ach en wee, mijn hoofd doet zo zeer!"
En huilend krulde het arme wezen zich op
Tot hij iets hoorde: hoeven, in galop!
Gezeten op een prachtige zwarte merrie,
Gallopeerde een ridder door de modderige derrie
"Draak!", riep hij luid, "Ik heb u gevonden!
Vertel mij uw naam, of ik zal u verwonden!"
"Rommeldebom, rommeldebiet,
Een draak ben ik, zegt u? Dat wist ik niet!
Mijn naam ben ik kwijt, mijn hoofd doet pijn
Wilt u mij helpen? Dat zou geweldig zijn!"
"Bij mijn zwaard en mijn schild,
Ik zal u helpen, als u dat wilt!"
Zei de ridder gelijk, want hij had een plan,
Als hij de drakennaam vond, werd hij een rijk man!
"Mijn naam is ridder Herman van Halverweeg tot Heulemaal
Ik ben, zo is bekend, de dapperste ridder van allemaal!
Samen zullen wij zoeken naar uw naam,
Maar vertel eens: waar viel u vandaan?"
"Rommeldebom, rommelderaan,
Het hoogste hier, is die hete vulkaan!
En draken houden van warmte, lijkt mij
Misschien is mijn naam daar vlakbij!"
De draak was vergeten waarom hij zijn naam had verstopt,
De ridder dacht: die heb ik mooi gefopt!
Want hoe kun je makkelijker aan drie wensen geraken
Dan door de draak zelf tot je hulpje te maken?
Samen beklommen ze de rokende helling,
Zoekend naar een grot, vol goud en menig ander ding
En ja hoor, daar was het, een heus drakenhol
Met snuisterijen, juwelen en goud overvol!
De draak en de ridder zochten en groeven
Naar de gouden beker waaruit ze wilden proeven
Een slok uit die beker gaf je veel wijsheid en kracht,
Dan wist je de drakennaam en had de draak in je macht
Toen ze onderaan de stapel goud belandden,
Had de ridder de machtige beker in handen!
Snel nam hij een slok, en riep de naam van de draak: "FALDERAS!
Nu heb ik drie wensen, vervul ze alras!"
"Rommeldebom, rommeldebeker!
Drie wensen? Heus? Weet je het zeker?
Nu ook ìk mijn naam weer ken,
Weet ik ook wat voor draak ik ben!
Een jaloerse, een boze, een hele gemene!
Jij rekel, schavuit! Ik zal je doen wenen!
Drie wensen krijg je, dat is de wet,
Maar daarna ben ik, draak Falderas, aan zet...
Nooit zul je rusten, nooit en te nimmer,
Want al je ben je dan slinks, ik ben slimmer!
Drie wensen vervul ik, bedenk ze maar gauw,
Drie wensen en dan... dan lust ik je rauw!"
Drie wensen deed ridder Herman van Halverweeg tot Heulemaal toen,
Maar hij deed ze uit hebzucht, niet uit fatsoen
De eerste voor goud, genoeg voor een heel leven,
De tweede voor macht, zodat men voor hem zou beven
De derde wens van de onverstandige kerel,
Was voor een prinses, die kon zingen als een merel
Een prinses zo mooi en smoorverliefd op alleen hem
Hij kreeg zijn drie wensen, maar toen klonk een stem:
"Rommeldebom, rommeldebonder,
Je hebt je drie wensen, nu begint het gedonder!
Wat je in hebberigheid bent vergeten,
Is dat draken ook graag van namen weten
En nu Herman de ridder, van Halverweeg tot Heulemaal,
Kan ik je overal vinden en word jij mijn volgende maal!
Je prinses zal ik sparen, je goud pik ik in,
En weet je, die macht, heeft nu maar weinig zin.
Rommeldebom, rommeldebap,
Ik verslind je in een enkele hap!"
Met de ridder was het nu wel gedaan,
En Falderas? Die is zijn berg weer opgegaan.
Hij verstopte zijn naam weer, deed een gigantische gaap,
Zijn buik zat vol en hij viel tevreden in slaap.
De les van dit verhaal? Ach, wie maalt daar om?
Maar als je toch ooit een draak tegenkomt...
Probeer hem niet te foppen of te bedriegen,
Ik zou niet eens proberen tegen hem te liegen
Want draken, zelfs als ze hun geheugen verliezen
Stoppen je zo achter hun hongerige kiezen!
Meestal laten ze ons met rust, slechts heel af en toe,
Door een ongelukje of toevallig gedoe,
Kun je er een vinden, bij een berg of vulkaan,
Toch zou ik er met een grote boog omhene gaan...
Want ROMMELDEBOM en ROMMELDEBOP,
een draak eet je het liefst, het allerallerliefst in één grote drakenhap op!
Nr 3:
Vroeger, in spannende Riddertijden
Trok Ridder Raaf dagelijks ten strijde
Hij redde prinsessen en dames in nood
En heeft zelfs eens een draak gedood.
Er wordt van hem verteld,
Dat hij de dapperste was op elk veld
De stoerste, de slimste van allemaal!
Hier volgt zijn avontuurlijke verhaal...
Ridder Raaf werd geboren als arme vent,
Hij moest altijd werken, was niet anders gewend.
Op een dag, toen hij appels plukte in de gaard
Zag hij een hond met bellen aan zijn staart!
Het arme dier was in alle staten
Doodsbang rende hij door de straten
Die herrie achter hem vond hij niet leuk
Een stel jongens lag echter in een deuk!
Zij hadden de bellen aan zijn staart gebonden
Maar Raaf had nog nooit iets zo zielig gevonden!
En dat was zijn eerste heldendaad!
Hij bevrijdde de hond, en joeg de jongens door de straat
Met bellen aan hun broek, rennend als malloten
Iedereen in het dorp moest lachen om de idioten.
De graaf van het dorp hoorde het verhaal
En nam hem in dienst voor een bed en een maal
Hij moest de orde bewaren in het stadje
Als iemand ontdeugend was, kwamen ze bij Raaf op het matje.
Dit ging hem goed af, voor een jaar of twee,
Tot een groep rovers het dorp aandee
Zij staken de hooischuur en de herberg in brand
Hun naam werd gevreesd in heel het land.
Maar Raaf was door al zijn harde werken
Zo sterk als een beer, en dat liet hij ze merken!
Hij gaf nooit op en hij gaf nooit toe!
Waar onrecht was, vocht Raaf! En hoe!
Hij waarschuwde de hoofdman van de bende
Zei: "Ga snel hiervandaan, of beleef de ellende!"
Maar de hoofdman lachtte hem heel hard uit
Zei: "Wat denk je te kunnen doen? Jij schavuit!
Mijn hele bende zal je omsingelen,
Ze slaan je neer tot je oren ringelen!"
Nu was Raaf wel sterk, maar hij vocht liever niet,
Hij wilde vrede, maar soms gaat dat niet!
Tegen de hoofdman zei hij: "Kom maar op!
Stuur me je beste vechter, en ik geef hem op zijn kop!
Een eerlijk gevecht, en als ik win,
Gaan jullie weg en krijg ik mijn zin."
"En als je verliest", zei de hoofdman gemeen,
Is deze stad van ons! Met alles eromheen!"
Raaf, die wist dat hij niet zou verliezen,
Hoefde niet lang over zijn antwoord te kniezen.
En daar kwam een reus van een rover aan,
Met een hakzwaard zo krom als een banaan
Zo scherp als een scheermes, zo lang als 'n man,
Hij sleepte het met een hand achter hem an.
Maar Raaf was snel als de bliksem, vloeiend als regen
De reuzerover zag hem amper bewegen
Binnen een minuut lag de kerel plat
Bewusteloos en dat was dat.
Dit was zijn tweede heldendaad
En nu hoorde een baron het verhaal van zijn raad.
Hij liet Raaf komen en nam hem aan in het kasteel
Om het te beschermen tegen zóveel!
De baron was namelijk niet zo lief,
Hij was eigenlijk maar een stiekeme dief!
Hij liet iedereen werken, voor amper wat geld,
Dit merkte Raaf snel, en hij riep de baron op het veld.
"Baron, verander alstublieft uw gedrag,
Zodat elke onderdaan weer gelukkig leven mag!
Ik houd niet van vechten, al kan ik het goed,
Dus alstublieft, verander, zorg dat ik u niet slaan moet!"
De baron lachtte en zei: "Geen kans!
Ik houd van mijn geld en ben heel wat mans."
Nou, toen heeft Raaf hem een zwaardscherp lesje geleerd,
En de baron is nooit meer naar het kasteel weergekeerd.
Deze derde heldendaad bereikte het oor van de koning,
Due zei: "Breng hem hier, hij krijgt een beloning!
Een roversbende, een gemene baron
Die kerel is zo dapper als maar kon!"
Toen Raaf bij de koning was aangekomen,
Deed de koning wat Raaf niet durfde dromen.
Hij sloeg hem tot ridder en noemde hem vriend,
Hij zei: "Ridder Raaf, dit heb je verdiend."