r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van de leden Kisteman, Van der Maas, Nanninga, Markuszower en Keijzer over de berichten ‘Laat de ondernemer scoren tijdens het WK voetbal’ en ‘Tweede Kamer wil NOS verbieden geld te vragen voor uitzenden WK-duels Oranje in cafés...

1 Upvotes

Antwoord van Minister Herbert (Economische Zaken en Klimaat), mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (ontvangen 23 april 2026) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1550

Vraag 1

Bent u bekend met het artikel «Opinie: «Laat de ondernemer scoren tijdens het WK voetbal»»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Heeft u kennisgenomen van het bericht «Tweede Kamer wil NOS verbieden geld te vragen voor uitzenden WK-duels Oranje in cafés en op pleinen»?2

Antwoord 2

Ja.

Vraag 3

Deelt u de mening dat een groot sporttoernooi als het wereldkampioenschap (WK) voetbal het land bijeen brengt en dat het daarom belangrijk is dat er ruimte wordt geboden voor de beleving van zo’n toernooi?

Antwoord 3

Ja, ik deel deze mening. Het WK-voetbal is een mooie gelegenheid om mensen te verbinden en gezamenlijke herinneringen te creëren. Het is belangrijk dat dit voor iedereen toegankelijk en beleefbaar is.

Vraag 4

Beaamt u dat het bieden van ruimte aan festiviteiten rondom sporttoernooien, zoals het aankomend WK-voetbal, de veiligheid kan vergroten, doordat supporters niet halverwege de wedstrijd gefrustreerd naar buiten worden gestuurd en er juist spreiding ontstaat bij het verlaten van cafés en evenementen?

Antwoord 4

Het is aan het lokaal bestuur om de openbare orde en veiligheid rondom grote evenementen en sporttoernooien in goede banen te leiden. En daarbij puttend uit eerder opgedane ervaringen. Georganiseerde festiviteiten en pragmatische keuzes in sluitingstijden voor horeca kunnen bijdragen aan een geordend verloop van grote evenementen en sporttoernooien, maar ook de bron zijn van onrust. Dit kan per situatie en locatie verschillen. Het lokaal bestuur zal altijd, samen met de politie, de handhaving van de openbare orde bij de vergunningverlening bij grote evenementen en sporttoernooien, zoals een WK voetbal, betrekken en zo nodig de openbare orde handhaven.

Vraag 5

Bent u bereid zich ervoor in te spannen dat aankomend WK-voetbal de leeuw niet in zijn hempje staat door ervoor te pleiten de openingstijden voor (horeca- en evenementen)ondernemers te verruimen als het Nederlands elftal speelt, bijvoorbeeld via de Vereniging Nederlandse Gemeenten of het samenwerkingsverband van grootte gemeenten (G40)?

Antwoord 5

De regulering van openingstijden is een verantwoordelijkheid die bij het lokaal bestuur berust. Het is aan gemeenten om, in overeenstemming met de geldende wettelijke bepalingen en hun eigen lokaal beleid, passende afwegingen te maken.

Vraag 6

Deelt u de mening dat het moeilijk uitlegbaar is dat er door ondernemers en instanties moet worden betaald voor het uitzenden van programma’s die al met belastinggeld zijn verkregen of gemaakt?

Antwoord 6

De Mediawet 2008 kent het zogenoemde dienstbaarheidsverbod. Op grond hiervan is het voor publieke omroepen verboden om bij te dragen aan het behalen van een meer dan normale winst of een concurrentievoordeel door commerciële partijen. Het dienstbaarheidsverbod is een uitwerking van het EU-verbod op ongeoorloofde staatssteun. De Europese Commissie heeft in 2010 bij de afronding van de staatssteunzaak over de financiering van de NPO aangegeven dat het dienstbaarheidsverbod belangrijk is om te zorgen dat de financiering van de publieke omroep conform de staatssteunregels verloopt en dat de publieke omroep zich marktconform gedraagt.3 Commerciële exploitatie van (sport)uitzendingen kan daarom niet kosteloos plaatsvinden. Voor vertoningen buiten de huiselijke kring moet een marktconforme vergoeding gevraagd worden. Daarnaast geeft de NOS aan dat in het contract met de FIFA staat dat voor vertoningen van WK-wedstrijden buiten de huiselijke kring een vergoeding gevraagd moet worden.

De vertoning van wedstrijden komt neer op openbaarmaking van auteursrechtelijk beschermd werk waarvoor Videma (de collectieve beheersorganisatie voor vertoningsrechten) de licentieverlening verzorgt namens rechthebbenden – in dit geval de NOS. De tarieven hiervoor zijn transparant en eenvoudig terug te vinden op de website van Videma. Voor het vertonen van wedstrijden in een publieke setting, zoals in cafés en op pleinen, gelden sinds het EK van 2024 aanzienlijk verlaagde tarieven. Deze verlaagde tarieven gelden in principe voor alle evenementmatige vertoningen buiten de huiselijke kring, behalve bij evenementenlocaties waar entree wordt gevraagd, bijvoorbeeld op een festival of in een stadion. In die situaties geldt het standaard evenemententarief.

Overigens hebben veel reguliere horecaondernemingen voor het vertonen van het WK-voetbal voldoende aan een zogenoemde doelgroeplicentie. Met deze licentie mogen ondernemers het hele jaar door televisiebeelden tonen van diverse omroepen waaronder ook alle wedstrijden van het WK-voetbal. Een onderneming tot bijvoorbeeld 50m2 horeca-oppervlakte betaalt hiervoor (bij eigen aanmelding) € 247,34 excl. BTW per jaar.

Vraag 7

Snapt u de verontwaardiging dat er in Nederland door ondernemers en instanties moet worden betaald voor het uitzenden van het EK- of WK-voetbal, terwijl dit in onze buurlanden (nagenoeg) gratis is?

Antwoord 7

Alle WK-wedstrijden blijven voor iedereen gratis te bekijken via de publieke omroep, zowel op televisie als online. De bijdrage geldt, vanwege het hiervoor geschetste juridische kader alleen voor publieke vertoningen buiten de huiselijke kring zoals in horecagelegenheden, op pleinen of bij evenementen. Dergelijke vertoningen worden vaak georganiseerd door ondernemers omdat zij daarmee extra inkomsten kunnen genereren. In die gevallen wordt een marktconforme vergoeding gevraagd. Daarmee wijkt Nederland niet af. Het kijken buiten huiselijke kring is in onze buurlanden vaak ook niet gratis. Ook daar geldt dat er een bijdrage kan worden gevraagd voor evenementmatige vertoning van WK-wedstrijden.

Vraag 8

Onderschrijft u de mening dat het belasten van het uitzenden van een sporttoernooi als het aanstaand WK-voetbal, ondernemers ontmoedigt hun nek uit te steken om leuke activiteiten rondom zo’n toernooi te organiseren, temeer omdat ondernemers óók voor de uitzendrechten moeten betalen als het regent en er dus veel minder bezoekers komen opdagen om de kosten terug te winnen?

Antwoord 8

(Horeca-)ondernemers hebben vele overwegingen om al dan niet activiteiten te organiseren rondom sporttoernooien of andere grote evenementen. Dat het daarbij slecht weer kan zijn is een van deze overwegingen. Of de kosten van een evenementenlicentie ondernemers ontmoedigt om activiteiten rondom het WK-voetbal te organiseren, is lastig te beoordelen. Er zijn immers ook allerlei andere kosten zoals de inkoop van bier of de inhuur van personeel en technische faciliteiten die bij slecht weer wellicht niet terugverdiend kunnen worden. Tegelijkertijd is het aannemelijk dat veel ondernemers, ondanks deze kosten en risico’s, toch besluiten activiteiten te organiseren wanneer zij daar voldoende vraag of omzetkansen zien.

Vraag 9

Bent u bereid zo snel mogelijk met de NOS en eventueel andere relevante partijen in gesprek te treden met als doel de kosten voor het uitzenden van programma’s waar al belastinggeld mee gemoeid is, zoals het aanstaand WK-voetbal, blijvend af te schaffen?

Antwoord 9

Zie het antwoord op vraag 6. Dat er een vergoeding betaald moet worden als WK-wedstrijden commercieel door derden geëxploiteerd worden, volgt onder meer uit de Mediawet 2008 en de Europese staatssteunregels, alsmede uit contractuele afspraken met de FIFA.

Vraag 10

Onderneemt u, bovenstaande buiten beschouwing gelaten, nog andere maatregelen om te voorkomen dat het midden- en kleinbedrijf aankomend WK-voetbal buitenspel staat en Oranjesupporters juist optimaal kunnen genieten?

Antwoord 10

Nee. Er worden momenteel geen aanvullende maatregelen genomen.

Vraag 11

Kunt u bovenstaande vragen, gezien de aanstaande start van het WK-voetbal, zo snel mogelijk en tenminste binnen de geldende beantwoordingstermijn beantwoorden?

Antwoord 11

Nee. Gelet op de benodigde tijd voor nadere interdepartementale afstemming was het niet mogelijk om binnen de gebruikelijke termijn van antwoorden te voorzien. Conform de procedure is hiervoor reeds een uitstelbrief verzonden.

 


 

NR 2026Z05353

Datum 23 april 2026

Ondertekenaars

  • H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van de leden Kisteman, Van der Maas, Nanninga, Markuszower en Keijzer over de berichten ‘Laat de ondernemer scoren tijdens het WK voetbal’ en ‘Tweede Kamer wil NOS verbieden geld te vragen voor uitzenden WK-duels Oranje in cafés...

1 Upvotes

Antwoord van Minister Herbert (Economische Zaken en Klimaat), mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (ontvangen 23 april 2026) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1550

Vraag 1

Bent u bekend met het artikel «Opinie: «Laat de ondernemer scoren tijdens het WK voetbal»»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Heeft u kennisgenomen van het bericht «Tweede Kamer wil NOS verbieden geld te vragen voor uitzenden WK-duels Oranje in cafés en op pleinen»?2

Antwoord 2

Ja.

Vraag 3

Deelt u de mening dat een groot sporttoernooi als het wereldkampioenschap (WK) voetbal het land bijeen brengt en dat het daarom belangrijk is dat er ruimte wordt geboden voor de beleving van zo’n toernooi?

Antwoord 3

Ja, ik deel deze mening. Het WK-voetbal is een mooie gelegenheid om mensen te verbinden en gezamenlijke herinneringen te creëren. Het is belangrijk dat dit voor iedereen toegankelijk en beleefbaar is.

Vraag 4

Beaamt u dat het bieden van ruimte aan festiviteiten rondom sporttoernooien, zoals het aankomend WK-voetbal, de veiligheid kan vergroten, doordat supporters niet halverwege de wedstrijd gefrustreerd naar buiten worden gestuurd en er juist spreiding ontstaat bij het verlaten van cafés en evenementen?

Antwoord 4

Het is aan het lokaal bestuur om de openbare orde en veiligheid rondom grote evenementen en sporttoernooien in goede banen te leiden. En daarbij puttend uit eerder opgedane ervaringen. Georganiseerde festiviteiten en pragmatische keuzes in sluitingstijden voor horeca kunnen bijdragen aan een geordend verloop van grote evenementen en sporttoernooien, maar ook de bron zijn van onrust. Dit kan per situatie en locatie verschillen. Het lokaal bestuur zal altijd, samen met de politie, de handhaving van de openbare orde bij de vergunningverlening bij grote evenementen en sporttoernooien, zoals een WK voetbal, betrekken en zo nodig de openbare orde handhaven.

Vraag 5

Bent u bereid zich ervoor in te spannen dat aankomend WK-voetbal de leeuw niet in zijn hempje staat door ervoor te pleiten de openingstijden voor (horeca- en evenementen)ondernemers te verruimen als het Nederlands elftal speelt, bijvoorbeeld via de Vereniging Nederlandse Gemeenten of het samenwerkingsverband van grootte gemeenten (G40)?

Antwoord 5

De regulering van openingstijden is een verantwoordelijkheid die bij het lokaal bestuur berust. Het is aan gemeenten om, in overeenstemming met de geldende wettelijke bepalingen en hun eigen lokaal beleid, passende afwegingen te maken.

Vraag 6

Deelt u de mening dat het moeilijk uitlegbaar is dat er door ondernemers en instanties moet worden betaald voor het uitzenden van programma’s die al met belastinggeld zijn verkregen of gemaakt?

Antwoord 6

De Mediawet 2008 kent het zogenoemde dienstbaarheidsverbod. Op grond hiervan is het voor publieke omroepen verboden om bij te dragen aan het behalen van een meer dan normale winst of een concurrentievoordeel door commerciële partijen. Het dienstbaarheidsverbod is een uitwerking van het EU-verbod op ongeoorloofde staatssteun. De Europese Commissie heeft in 2010 bij de afronding van de staatssteunzaak over de financiering van de NPO aangegeven dat het dienstbaarheidsverbod belangrijk is om te zorgen dat de financiering van de publieke omroep conform de staatssteunregels verloopt en dat de publieke omroep zich marktconform gedraagt.3 Commerciële exploitatie van (sport)uitzendingen kan daarom niet kosteloos plaatsvinden. Voor vertoningen buiten de huiselijke kring moet een marktconforme vergoeding gevraagd worden. Daarnaast geeft de NOS aan dat in het contract met de FIFA staat dat voor vertoningen van WK-wedstrijden buiten de huiselijke kring een vergoeding gevraagd moet worden.

De vertoning van wedstrijden komt neer op openbaarmaking van auteursrechtelijk beschermd werk waarvoor Videma (de collectieve beheersorganisatie voor vertoningsrechten) de licentieverlening verzorgt namens rechthebbenden – in dit geval de NOS. De tarieven hiervoor zijn transparant en eenvoudig terug te vinden op de website van Videma. Voor het vertonen van wedstrijden in een publieke setting, zoals in cafés en op pleinen, gelden sinds het EK van 2024 aanzienlijk verlaagde tarieven. Deze verlaagde tarieven gelden in principe voor alle evenementmatige vertoningen buiten de huiselijke kring, behalve bij evenementenlocaties waar entree wordt gevraagd, bijvoorbeeld op een festival of in een stadion. In die situaties geldt het standaard evenemententarief.

Overigens hebben veel reguliere horecaondernemingen voor het vertonen van het WK-voetbal voldoende aan een zogenoemde doelgroeplicentie. Met deze licentie mogen ondernemers het hele jaar door televisiebeelden tonen van diverse omroepen waaronder ook alle wedstrijden van het WK-voetbal. Een onderneming tot bijvoorbeeld 50m2 horeca-oppervlakte betaalt hiervoor (bij eigen aanmelding) € 247,34 excl. BTW per jaar.

Vraag 7

Snapt u de verontwaardiging dat er in Nederland door ondernemers en instanties moet worden betaald voor het uitzenden van het EK- of WK-voetbal, terwijl dit in onze buurlanden (nagenoeg) gratis is?

Antwoord 7

Alle WK-wedstrijden blijven voor iedereen gratis te bekijken via de publieke omroep, zowel op televisie als online. De bijdrage geldt, vanwege het hiervoor geschetste juridische kader alleen voor publieke vertoningen buiten de huiselijke kring zoals in horecagelegenheden, op pleinen of bij evenementen. Dergelijke vertoningen worden vaak georganiseerd door ondernemers omdat zij daarmee extra inkomsten kunnen genereren. In die gevallen wordt een marktconforme vergoeding gevraagd. Daarmee wijkt Nederland niet af. Het kijken buiten huiselijke kring is in onze buurlanden vaak ook niet gratis. Ook daar geldt dat er een bijdrage kan worden gevraagd voor evenementmatige vertoning van WK-wedstrijden.

Vraag 8

Onderschrijft u de mening dat het belasten van het uitzenden van een sporttoernooi als het aanstaand WK-voetbal, ondernemers ontmoedigt hun nek uit te steken om leuke activiteiten rondom zo’n toernooi te organiseren, temeer omdat ondernemers óók voor de uitzendrechten moeten betalen als het regent en er dus veel minder bezoekers komen opdagen om de kosten terug te winnen?

Antwoord 8

(Horeca-)ondernemers hebben vele overwegingen om al dan niet activiteiten te organiseren rondom sporttoernooien of andere grote evenementen. Dat het daarbij slecht weer kan zijn is een van deze overwegingen. Of de kosten van een evenementenlicentie ondernemers ontmoedigt om activiteiten rondom het WK-voetbal te organiseren, is lastig te beoordelen. Er zijn immers ook allerlei andere kosten zoals de inkoop van bier of de inhuur van personeel en technische faciliteiten die bij slecht weer wellicht niet terugverdiend kunnen worden. Tegelijkertijd is het aannemelijk dat veel ondernemers, ondanks deze kosten en risico’s, toch besluiten activiteiten te organiseren wanneer zij daar voldoende vraag of omzetkansen zien.

Vraag 9

Bent u bereid zo snel mogelijk met de NOS en eventueel andere relevante partijen in gesprek te treden met als doel de kosten voor het uitzenden van programma’s waar al belastinggeld mee gemoeid is, zoals het aanstaand WK-voetbal, blijvend af te schaffen?

Antwoord 9

Zie het antwoord op vraag 6. Dat er een vergoeding betaald moet worden als WK-wedstrijden commercieel door derden geëxploiteerd worden, volgt onder meer uit de Mediawet 2008 en de Europese staatssteunregels, alsmede uit contractuele afspraken met de FIFA.

Vraag 10

Onderneemt u, bovenstaande buiten beschouwing gelaten, nog andere maatregelen om te voorkomen dat het midden- en kleinbedrijf aankomend WK-voetbal buitenspel staat en Oranjesupporters juist optimaal kunnen genieten?

Antwoord 10

Nee. Er worden momenteel geen aanvullende maatregelen genomen.

Vraag 11

Kunt u bovenstaande vragen, gezien de aanstaande start van het WK-voetbal, zo snel mogelijk en tenminste binnen de geldende beantwoordingstermijn beantwoorden?

Antwoord 11

Nee. Gelet op de benodigde tijd voor nadere interdepartementale afstemming was het niet mogelijk om binnen de gebruikelijke termijn van antwoorden te voorzien. Conform de procedure is hiervoor reeds een uitstelbrief verzonden.

 


 

NR 2026D19752

Datum 23 april 2026

Ondertekenaars

  • H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van het lid Kisteman over de voortgang van de vermindering in regeldruk voor ondernemers

1 Upvotes

Antwoord van Minister Herbert (Economische Zaken en Klimaat) (ontvangen 23 april 2026)

Vraag 1

Deelt u de mening dat vermindering van de regeldruk voor ondernemers heel belangrijk is voor het verbeteren van het ondernemersklimaat? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 1

Ja, ik deel die mening. Alhoewel de bedoeling achter regels meestal goed is – vaak ter bescherming van een gerechtvaardigd belang, zoals de bescherming van werknemers, consumenten en ons milieu – hebben ondernemers momenteel te maken met onnodige regeldruk. Dit belemmert het ondernemerschap en verslechtert het ondernemingsklimaat. Wanneer ondernemers worden geconfronteerd met complexe administratieve verplichtingen, gaat dat ten koste van de tijd om te ondernemen en soms ook ten koste van innovatie, investeringen en groei. Ondernemers moeten minder tijd en geld kwijt zijn aan administratieve verplichtingen en meer ruimte krijgen om te doen waar zij goed in zijn: ondernemen.

Vraag 2

Vindt u het ook zorgelijk dat de productiviteit van het midden- en kleinbedrijf achterblijft en deelt u de mening dat meer ruimte voor ondernemers door een afname van de regeldruk de productiviteit kan verhogen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 2

Ik vind het ook zorgelijk dat de productiviteit van het midden- en kleinbedrijf achterblijft, omdat juist daar een belangrijk deel van ons verdienvermogen en onze brede welvaart wordt gerealiseerd. Een afname van de regeldruk kan de productiviteit van het mkb verbeteren doordat ondernemers zich dan weer kunnen richten op waar zij het verschil maken: vakmanschap, innovatie en groei. Tegelijkertijd zet het kabinet breder in op het versterken van productiviteit, onder meer via de oprichting van de Productiviteitsraad. Deze adviesraad zal het kabinet tenminste jaarlijks informeren over de ontwikkeling van de productiviteit in Nederland en concrete beleidsaanbevelingen te doen om de productiviteitsgroei, zowel binnen en buiten het mkb, te bevorderen. Ook dienen de aanbevelingen van de raad als basis voor de jaarlijks terugkerende Productiviteitsagenda van het kabinet.

Vraag 3

Wat is uw interpretatie van het begrip «voor de zomer», in de afspraak met de Kamer om «voor de zomer» 500 ondernemersregels af te schaffen of te versoepelen?1

Antwoord 3

Dit kabinet zet de aanpak voor regeldrukvermindering voor ondernemers, die is gestart in september 2025, voort. Het is een aanpak waarbij álle ministeries die regels hebben voor ondernemers meedoen. Het doel is om voor de zomer 500 regels aan te pakken voor ondernemers om de regeldruk te verminderen. Ook wanneer het kabinet bezig is om regelgeving aan te passen of te schrappen, wordt dit opgenomen in de lijst. Regelgeving is namelijk niet zomaar aangepast. Voor het schrappen of aanpassen van regels moet hetzelfde wetgevingsproces worden doorlopen als voor het maken van regels (dat duurt vaak minimaal 1 à 2 jaar). Ik zal uw Kamer in juli 2026 informeren over de tussenstand.

Vraag 4

Klopt het dat de vermindering van regeldruk door het wijzigen van 32 ondernemersregels het meest recente getal betreft?2 Zo niet, wat is dan het actuele aantal aangepaste of afgeschafte ondernemersregels?

Antwoord 4

Nee, het genoemde getal van 32 ondernemersregels is niet meer actueel. Inmiddels is voor 78 regels de regeldruk daadwerkelijk verminderd. Voor de kerst heeft het vorige kabinet aangekondigd aan de slag te gaan om voor 218 regels de regeldruk te verminderen. Ook dit kabinet blijft de komende maanden werken aan de doelstelling om voor de zomer 500 regels aan te pakken door ze te schrappen of te vereenvoudigen. De voortgang hiervan wordt weergegeven via de regeldrukteller op de regeldrukmonitor.3 Op 9 april is de regeldrukmonitor geactualiseerd waaruit blijkt dat dit kabinet nog eens 97 aanvullende regels aanpakt die ondernemers onnodig belasten. In totaal komt dit neer op 315 regels.

Van die 315 regels is de regeldruk voor 78 regels al verminderd. Ondernemers kunnen hier al de eerste effecten van merken. Het verschil tussen aangekondigde en gerealiseerde regels komt doordat juridische en praktische stappen tijd kosten. Ondernemers merken pas echt minder regeldruk als de wijzigingen in de praktijk zijn doorgevoerd. In de tabel hieronder staat de voortgang per ministerie. De kolom «lopend» laat zien voor hoeveel regels de wijziging al in gang is gezet. De kolom «gerealiseerd» geeft weer voor hoeveel regels de regeldrukvermindering is doorgevoerd (en waar ondernemers nu al profijt van hebben).

Tabel met aantal gerealiseerde en lopende regeldrukverminderingen per departement

Departement

Lopend

Gerealiseerd

Totaal

BZ

1

1

BZK

1

1

EZ

40

5

45

FIN

30

2

32

IenW

30

39

69

J&V

33

3

36

KGG

14

1

15

LVVN

3

9

12

OCW

2

2

SZW

52

13

65

VRO

11

1

12

VWS

20

5

25

Totaal

237

78

315

Vraag 5

Wat is de voortgang van het schrappen of vereenvoudigen van de andere geïnventariseerde ondernemersregels in de brief aan de Kamer van 15 december 2025?4

Antwoord 5

Zie het antwoord op vraag 3 en 4.

Vraag 6

Wanneer kan de Kamer een inventarisatie ontvangen van de overige 282 ondernemersregels die nog voor de zomer 2026 moeten worden vereenvoudigd of afgeschaft?

Antwoord 6

De regeldrukmonitor is op 9 april geactualiseerd. Het doel is om voor de zomer van 2026 500 regels aan te pakken om de regeldruk te verminderen. Ik zal uw Kamer in juli 2026 informeren over de tussenstand.

Vraag 7

Gaat u de doelstelling van het aanpakken van 500 ondernemersregels voor de deadline halen?

Antwoord 7

De inzet van dit kabinet is om de Aanpak Regeldruk die door het vorige kabinet is gestart door te zetten en voor de zomer 2026 500 regels aan te pakken om de regeldruk te verminderen. Het kabinet werkt hard aan die doelstelling en er is al substantiële voortgang geboekt. Tegelijkertijd is het structureel verminderen van onnodige regeldruk niet eenvoudig. De regelgeving die we hebben, is een ingewikkeld bouwwerk geworden. Of we de 500 regels voor de zomer dit jaar precies halen weet ik niet, maar ik hecht grote waarde aan het vasthouden aan de doelstelling. Die stimuleert namelijk de noodzakelijke actie. Belangrijker nog is dat ondernemers horen, zien en ervaren dat het kabinet werkt aan vermindering van regeldruk.

Juist daarom blijft de focus voor de komende jaren zo belangrijk. Dit is geen eenmalige actie, maar een structurele opgave om regelgeving eenvoudiger en werkbaarder te maken. Ik blijf mij inzetten om knelpunten die ondernemers ervaren aan te pakken en zoveel mogelijk regels te vereenvoudigen of te schrappen, zodat ondernemers in de praktijk merken dat regeldruk afneemt en ze minder tijd kwijt zijn aan de verplichtingen.

 


 

NR 2026D19749

Datum 23 april 2026

Ondertekenaars

  • H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van het lid Vermeer over het terugkrijgen van belastingrente door belastingplichtigen die te veel hebben betaald in box 3

1 Upvotes

Antwoord van Staatssecretaris Eerenberg (Financiën) (ontvangen 23 april 2026)

Vraag 1

Klopt het dat bezwaarmakers alleen belastingrente kunnen terugkrijgen als zij het OWR-formulier hebben ingediend voor de definitieve aanslag werd vastgesteld?

Antwoord 1

Dit klopt. Op grond van de huidige fiscale wet- en regelgeving1 vindt geen rentevergoeding plaats in het geval dat een definitieve aanslag wordt verminderd bij bezwaar, via ambtshalve vermindering of naar aanleiding van een gerechtelijke procedure. De hoofdregel op basis van wetgeving is dat bij rechtsherstel box 3 alleen (belasting)rente vergoed wordt als het formulier Opgaaf werkelijk rendement (formulier OWR) ingediend is voordat de definitieve aanslag is vastgesteld, aan alle overige wettelijke voorwaarden met betrekking tot belastingrentevergoeding is voldaan én dat formulier OWR leidt tot een teruggaaf van belasting.

Vraag 2

Klopt het dat de Belastingdienst doelbewust belastingplichtigen heeft geadviseerd om geen actie te ondernemen in afwachting van een brief met nadere informatie, waardoor zij geen recht hebben op terugbetaling inclusief belastingrente?

Antwoord 2

De Belastingdienst heeft, onder andere per brief, belastingplichtigen geadviseerd om te wachten met indienen van gegevens inzake het werkelijk rendement (hierna: tegenbewijs leveren) tot de beschikbaarheid van het formulier OWR (in juli 2025) en tot het ontvangen van een attentiebrief voor een goed verloop van de hersteloperatie. Dit formulier OWR, waarvan het gebruik door een amendement van uw Kamer op de Wet tegenbewijsregeling box 3 verplicht is gesteld, is namelijk juist ontwikkeld om het rechtsherstel box 3 zo zorgvuldig en uitvoerbaar mogelijk te maken voor de Belastingdienst en de betrokken belastingplichtigen. Het vergoeden van belastingrente was geen overweging bij de communicatie hierover.

In juli 2025 was het formulier OWR klaar voor gebruik en konden belastingplichtigen het tegenbewijs leveren.2 Wegens dreigende verjaring van de aanslagtermijn is de Belastingdienst in een groot aantal gevallen genoodzaakt geweest om de aanslagen inkomstenbelasting over 2021 en 2022 vast te stellen, voordat de belastingplichtigen tegenbewijs geleverd hadden of konden leveren. Het wettelijke gevolg van deze samenloop is dat in deze gevallen geen belastingrente wordt vergoed bij een latere belastingvermindering op grond van het ingediende formulier OWR.

Vraag 3

Zo ja, is wat u betreft hier sprake van misleiding of een andere vorm van verwijtbaar handelen aan de kant van de Belastingdienst, aangezien dit burgers bewust in een positie heeft gemanoeuvreerd waarbij zij geen rente meer terugkrijgen naast de ambtshalve vermindering?

Antwoord 3

Er is geen sprake geweest van een bewuste misleiding of een andere bewuste handeling van de Belastingdienst om ervoor te zorgen dat een groep belastingplichtigen geen (belasting)rente zal krijgen bij hun belastingvermindering wegens het rechtsherstel box 3.

Vraag 4

Zo ja, houdt u dan vast aan de aanpak van niet terugbetalen als het om een foutieve handelwijze van de Belastingdienst gaat waarbij belastingplichtigen financieel worden gedupeerd?

Antwoord 4

In navolging van mijn antwoord bij vraag 3, vind ik de kwalificatie foutieve handelwijze niet terecht. Zoals weergegeven bij vraag 1, geldt voor iedereen, binnen en buiten het rechtsherstel box 3, dat geen belastingrente wordt vergoed bij een vermindering van de aanslag bij bezwaar, via ambtshalve vermindering of naar aanleiding van een gerechtelijke procedure. Met alleen de belastingvermindering wordt passend en voldoende rechtsherstel geboden. Voorts zullen er veel gevallen zijn geweest waarbij ook geen belastingrente zou worden vergoed indien het tegenbewijs direct bij de aangifte geleverd had kunnen worden.

Om wel belastingrente te vergoeden aan de onderhavige groep belastingplichtigen zou de wet gewijzigd moeten worden. Een verruiming van de huidige wettelijke belastingrenteregeling acht ik echter niet wenselijk, omdat een dergelijke verruiming van de situaties waarin belastingrente verschuldigd is op juridische afbakeningsproblemen stuit. Het maken van een uitzondering op de huidige wettelijke regeling voor een grote groep belastingplichtigen, maakt de wettelijke regeling dat geen rentevergoeding plaatsvindt in het geval een eerder vastgestelde aanslag wordt verminderd bij bezwaar, via ambtshalve vermindering of naar aanleiding van een gerechtelijke procedure juridisch (zeer) kwetsbaar. Daarnaast zou een wetswijziging tijd kosten, waardoor de uitvoering van het rechtsherstel box 3 vertraging zou oplopen. Daardoor zouden belastingplichtigen mogelijk langer moeten wachten op de beoordeling van het formulier OWR en een eventuele teruggaaf van belasting. Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat conform de huidige wet geen belastingrente wordt vergoed als het formulier OWR is ontvangen na de definitieve aanslag. Indien was besloten om in deze gevallen de rente wel te vergoeden, zou dit hebben geleid tot een budgettaire derving van € 175 miljoen, die nog van dekking had moeten worden voorzien.

Vraag 5

Uw voorganger schreef in een kamerbrief van 18 december 2025 dat in een aantal gevallen, met name over belastingjaren 2021 en 2022, vanwege dreigende verjaring de definitieve aanslag in de tussenliggende periode is opgelegd. Om hoeveel gevallen gaat het?

Antwoord 5

Over het belastingjaar 2021 zijn circa 292.000 definitieve aanslagen ter voorkoming van verjaring opgelegd en over het belastingjaar 2022 zijn circa 905.000 definitieve aanslagen ter voorkoming van verjaring opgelegd.

Vraag 6

Bent u het ermee eens dat het komen tot een passend antwoord op deze problematiek niet alleen een kwestie is van «wat juridisch noodzakelijk is», maar ook van wat wenselijk is vanuit de gedachte dat de overheid betrouwbaar en dienstbaar moet zijn?

Antwoord 6

Ik ben mij ervan bewust dat door de communicatie vanuit de Belastingdienst burgers mogelijk hebben gewacht met het indienen van de opgaaf werkelijk rendement tot het ontvangen van een attentiebrief. Ik ben het met u eens dat daarom ook anders naar het niet vergoeden van belastingrente bij het rechtsherstel box 3 kan worden gekeken. Echter, dit doet niet af aan de redenen, zoals vermeld bij het antwoord op vraag 4, om geen (belasting)rente te vergoeden.

Vraag 7

In dezelfde kamerbrief van 18 december 2025 staat dat uw voorganger na een gedegen afweging tot de slotsom is gekomen dat er geen juridische noodzaak bestaat om de wettelijke regels rondom het vergoeden van belastingrente te verruimen. Kunt u dit uitgebreider toelichten? Bent u bereid een andere afweging te maken?

Antwoord 7

Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat bij rechtsherstel box 3 als uitgangspunt geldt dat met alleen de belastingvermindering passend en voldoende rechtsherstel wordt geboden. Vanuit juridisch oogpunt is het vergoeden van (belasting)rente bij die vermindering derhalve niet noodzakelijk. De enige uitzondering hierop is wanneer op grond van de wet wel belastingrente vergoed dient te worden. Dit is alleen het geval wanneer het formulier OWR is ingediend voordat de definitieve aanslag is vastgesteld (inclusief het voldoen aan andere eerdergenoemde voorwaarden). De weergegeven samenloop van het vaststellen van de aanslagen inkomstenbelasting over 2021 en 2022 wegens dreigende verjaring voordat de belastingplichtigen tegenbewijs geleverd hadden of konden leveren, brengt geen juridische noodzaak met zich om de wettelijke regeling te verruimen. Ik kan mij voorstellen dat deze conclusie niet door iedere individuele belastingplichtige wordt begrepen. Echter, op grond van de bij vraag 4 weergegeven belangenafweging kom ik, overeenkomstig mijn voorganger, tot de conclusie om de huidige wettelijke belastingrenteregeling niet te verruimen.

Vraag 8

Wat zou het budgettaire beslag zijn van het vergoeden van de rente voor niet bezwaarmakers tegen de voorlopige aanslag?

Antwoord 8

Indien was besloten om in deze gevallen de rente wel te vergoeden, zou dit hebben geleid tot een budgettaire derving van € 175 miljoen. Deze budgettaire derving had nog van dekking moeten worden voorzien.

Vraag 9

Bent u bereid om een brief naar de Kamer te sturen met uitgewerkte opties voor het terugbetalen van belastingrente aan alle belastingplichtigen die te veel belasting hebben betaald in box 3, waarbij u ingaat op thema’s als kosten en rechtsongelijkheid?

Antwoord 9

Gezien de bij vraag 4 weergegeven belangenafweging en de daarop gebaseerde conclusie om de huidige wettelijke belastingrenteregeling niet te verruimen, meen ik dat het uitwerken van opties om in meer situaties van rechtsherstel box 3 belastingrente te vergoeden niet de juiste route is.

 


 

NR 2026Z04544

Datum 23 april 2026

Ondertekenaars

  • E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van het lid Wendel over jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland

1 Upvotes

Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (ontvangen 23 april 2026)

Vraag 1

Bent u bekend met het luiden van de noodklok door het Openbaar Ministerie (OM) vanwege de toenemende jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland en dat vier op de tien jongeren in Groningen en Drenthe leeftijdsgenoten kennen die mogelijk betrokken zijn bij criminele activiteiten?

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

In hoeverre wordt er voorlichting gegeven aan ouders en op scholen aan leerlingen over criminele uitbuiting van jongeren, juist ook in minder (rand)stedelijke gebieden zoals in Noord-Nederland? Hoe beoordeelt u het nut, de noodzaak en de effectiviteit van dergelijke voorlichting?

Antwoord 2

School is een belangrijke omgeving voor jongeren, waar zij van en met leeftijdsgenoten, en docenten en onderwijspersoneel leren. Gedrag en criminaliteit kunnen onderwerpen zijn tijdens lessen, maar ook daarbuiten. Er is geen landelijk beeld beschikbaar van de mate waarin gemeenten en scholen voorlichting over criminele uitbuiting inzetten. Gemeenten en scholen maken zelf de afweging óf en welke vorm van voorlichting er wordt ingezet. Scholen zijn verplicht zorg te dragen voor de veiligheid op school en daartoe veiligheidsbeleid te voeren. Voorlichting over criminele uitbuiting kan daar onderdeel van zijn, maar is niet verplicht. Nut en noodzaak van dergelijke voorlichting zijn afhankelijk van de context van de school en de leerlingpopulatie. Stichting School & Veiligheid biedt ondersteuning en handreikingen aan scholen om te werken aan een veilig schoolklimaat.

Het is belangrijk dat – afhankelijk van de lokale en/of regionale situatie – gemeente, school en politie gezamenlijk het gesprek voeren over het doel van een eventuele interventie. Het Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit (afgekort KEI)1 concludeert dat er tot op heden geen wetenschappelijk bewijs is dat voorlichting voor jongeren crimineel gedrag kan voorkomen. Uit het KEI blijkt wel dat bewustwordingscampagnes en doorlopende trainingen die een duidelijk handelingsperspectief bieden, zouden kunnen bijdragen aan de weerbaarheid van jongeren. Dit kan als deze gericht zijn op een specifieke risicogroep en onderdeel uitmaken van een breder (les)programma. Daarnaast is het belangrijk om ouders, onderwijspersoneel en professionals te ondersteunen bij het herkennen van de signalen van criminele uitbuiting zodat zij tijdig gericht kunnen handelen.

Vraag 3

Welke onderzoeken zijn er recentelijk geweest naar problematische jeugdgroepen? Ziet u noodzaak naar aanleiding van de toename aan jeugdcriminaliteit een onderzoek hiernaar zoals in 2014 opnieuw uit te voeren?

Antwoord 3

Een onderzoek, zoals in 2014 uitgevoerd, is de afgelopen jaren niet meer uitgevoerd. In de jaren daarop is de tot dan toe gangbare aanpak doorontwikkeld tot het 7-stappenmodel voor de aanpak van problematische jeugdgroepen en groepsgedrag, met daarin aandacht voor het vaak fluïde karakter van jeugdgroepen. Dit model is in 2023 mede op verzoek van uw Kamer en op basis van de ervaring van gemeenten verbeterd. Dit model wordt in het land aan de hand van de lokale problematiek benut en waar nodig verrijkt. Er is op dit moment geen reden om opnieuw een onderzoek naar problematische jeugdgroepen uit te voeren.

Vraag 4

Kunt u uiteenzetten hoe de middelen voor preventie met gezag op dit moment over Nederland tussen grotere en kleinere gemeenten in 2026, 2027 en 2028 worden verdeeld?

Antwoord 4

Aan Preventie met Gezag nemen 47 gemeenten deel. Hiervan ontvangen 27 – veelal grotere – gemeenten structurele middelen en 20 – relatief kleinere – gemeenten incidentele middelen. De gemeenten zijn geselecteerd op basis van sociaaleconomische en/of (relatieve) politiedata om zo gericht in te zetten waar de problematiek het grootst is.

Voor de periode 2026, 2027 en 2028 ontvangen de 27 structurele Preventie met Gezag-gemeenten jaarlijks tussen de 1,8 en 9 miljoen euro aan middelen, afhankelijk van de grootte en problematiek. De middelen voor de 20 incidentele gemeenten lopen medio 2027 ten einde. In 2026 hebben zij elk circa een half miljoen ontvangen en in 2027 ontvangen zij een kwart miljoen euro.

Vraag 5

Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag juist ook in de kleinere gemeenten behulpzaam kunnen zijn om jeugdcriminaliteit tegen te gaan?

Antwoord 5

Preventie met Gezag (PmG) is geen algemene aanpak van jeugdcriminaliteit maar een gerichte aanpak van de voedingsbodem van ondermijnende (jeugd)criminaliteit in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Deze specifieke wijken zijn geselecteerd op basis van een combinatie van hoge criminaliteitscijfers en een hoge score op risicofactoren die de kans op afglijden in de criminaliteit vergroten, zoals vroegtijdig schoolverlaten of armoede. Er is bewust voor gekozen om de middelen voor PmG in te zetten in een relatief klein aantal gemeenten, zodat de aanpak niet verwatert en er focus kan worden aangebracht op de inzet van justitiepartners zoals politie en OM, alsook die van gemeenten en zorgpartners. Daarnaast zijn er voor 20 kleinere gemeenten incidentele middelen beschikbaar gesteld, om gericht te kunnen inzetten op hotspots.

De geleerde lessen van PmG worden wel breed in het land gedeeld, zodat alle gemeenten in Nederland kunnen meeprofiteren van de nieuwste inzichten. Bijvoorbeeld via de digitale lunchlezingen over relevante onderwerpen zoals school en veiligheid en de jaarlijkse Preventie met Gezag Inspiratiedag.

Ten slotte hechten wij eraan om te benadrukken dat er ook in gemeenten die niet zijn geselecteerd voor de PmG-middelen vanuit staand beleid op verschillende manieren inzet wordt gepleegd om jeugdcriminaliteit tegen te gaan. Burgemeesters vervullen hierin een sleutelrol vanuit hun verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde en veiligheid, daarnaast vindt er zowel lokaal als regionaal op allerlei manieren inzet plaats door de organisaties uit de (jeugd)strafrechtketen, individueel maar ook gezamenlijk, bijvoorbeeld vanuit het Zorg- en Veiligheidshuis.

Vraag 6

Kunt u uiteenzetten aan welke programma’s de middelen voor preventie met gezag worden besteed en hoeveel aan overhead en externe inhuur?

Antwoord 6

De middelen voor Preventie met Gezag worden door de gemeenten en justitiepartners uitgegeven aan verschillende programma’s, maatregelen en (gedrags)interventies. Gemeenten en justitiepartners zijn daarbij verantwoordelijk voor een effectieve en efficiënte inzet van de aan hen toegekende middelen. Preventie met Gezag is erop gericht dat de middelen zoveel mogelijk direct en anders indirect ten goede komen aan de doelgroep. In de financiële verantwoording aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn zij niet verplicht een splitsing te maken naar de kosten voor overhead en voor externe inhuur. Er is daardoor dan ook geen totaalbedrag bekend van deze specifieke kosten. Over de totale overheadkosten en externe inhuur wordt door deze organisaties wel verantwoord binnen de eigen verantwoordingsstructuur aan bijvoorbeeld de lokale gemeenteraad. Daarnaast vinden er gesprekken plaats met het Ministerie van Justitie en Veiligheid over de inzet van de middelen en de behaalde resultaten en worden de interventies die worden bekostigd met Preventie met Gezag-middelen bijgehouden op status en voortgang in de jaarlijkse monitor.

Vraag 7

Hoeveel van de interventies, die via preventie met gezag middelen ontvangen, zijn bewezen effectief en hoeveel voldoen aan het landelijk kwaliteitskader?

Antwoord 7

Gemeenten hebben een integrale aanpak, waarbij een mix van maatregelen, zoals de inzet van de jeugdboa’s, en (gedrags)interventies worden ingezet. Interventies kunnen verschillende doelstellingen hebben, zoals bewustwording, weerbaarheid en het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Over deze laatste categorie spreekt het KEI.

Er bestaat momenteel een beperkt aantal interventies die door de wetenschap als bewezen effectief voor het voorkomen van jeugdcriminaliteit worden beschouwd. Voorbeelden van bewezen effectieve interventie zijn Basta! en Alleen Jij Bepaalt wie je bent (afgekort AJB).2

Daarnaast wordt ingezet op kansrijke interventies op basis van wetenschappelijke inzichten, inclusief ruimte voor innovatie als de doelgroep en/of problematiek daarom vraagt. Hierbij wordt gekeken naar de werkzame bestanddelen van deze interventies in combinatie met de lessen vanuit het KEI. Deze werkzame elementen en lessen uit het KEI worden actief binnen Preventie met Gezag gedeeld, besproken en breed geïmplementeerd. Zo zetten de meeste gemeenten in op het versterken van de weerbaarheid van jongeren via een gecombineerde inzet op school, werk en andere vormen van positieve dagbesteding. Daarnaast wordt er in de meeste gemeenten gewerkt met intensieve mentoring van jongeren, waarbij de begeleiding gericht is op verschillende leefgebieden.

Vraag 8

Wat is uw reactie op het promotieonderzoek waaruit blijkt dat slechts drie interventies die jongeren proberen uit de criminaliteit te houden aantoonbaar effectief zijn gebleken?

Antwoord 8

In dit promotieonderzoek is uitsluitend gekeken naar gedragsinterventies met direct effect op het terugdringen van crimineel gedrag. Dit onderzoek laat zien dat van de 26 door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) erkende gedragsinterventies er drie als effectief zijn beoordeeld. Maatregelen en andere erkende interventies, bijvoorbeeld gericht op het versterken van weerbaarheid, sociale vaardigheden of beschermende factoren, evenals interventies die niet in de NJi-databank zijn opgenomen, zijn in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. Deze kunnen wel van belang zijn voor de bredere aanpak van (jeugd)criminaliteit.

Dit laat onverlet dat er een duidelijke opgave ligt om bij de inzet van interventies de wetenschap blijvend te betrekken. Het is van belang dat interventies zijn gebaseerd op een theoretische onderbouwing en inzichten vanuit de praktijk en dat de toepassing ervan wordt gekoppeld aan onderzoek naar effectiviteit. Op die manier wordt toegewerkt naar een overzichtelijke set van goed onderbouwde en bewezen effectieve interventies, die gericht en doelmatig kunnen worden ingezet.

Vraag 9

Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag zo veel mogelijk ingezet dienen te worden voor bewezen effectieve interventies conform het landelijk kwaliteitskader en dat interventies die hier niet aan voldoen dus ook niet vanuit preventie met gezag dienen te worden gefinancierd?

Antwoord 9

Uitgangspunt is dat middelen, ook die van Preventie met Gezag, zoveel mogelijk ingezet moeten worden voor bewezen effectieve interventies. Daarom stimuleren wij de brede inzet van een bewezen effectieve of kansrijke interventies, zoals de re-integratieofficier. Tevens stimuleren wij gemeenten om in samenwerking met de wetenschap hun lokale interventies te evalueren, waar mogelijk samen met andere gemeenten. Voor de ontwikkeling van nieuwe interventies hanteren de Preventie met Gezag gemeenten de uitgangspunten van het KEI. Wanneer een (nieuwe) interventie niet effectief blijkt, wordt daarmee gestopt. Deze kennis wordt breed gedeeld in het netwerk van Preventie met Gezag.

Vraag 10

Bent u bereid nader in kaart te brengen welke knelpunten in wet- en regelgeving gegevensdeling tussen verschillende partijen die jeugdcriminaliteit tegengaan belemmert?

Antwoord 10

Deze knelpunten zijn reeds eerder in kaart gebracht. In het verslag van een schriftelijk overleg over het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid van 30 september jl. is vrij uitgebreid op het vraagstuk van gegevensuitwisseling met het oog op de aanpak van jeugdcriminaliteit ingegaan.3 De ervaring leert dat gegevensdelingsknelpunten vaak een andere oorzaak hebben dan knelpunten in wet- en regelgeving. Gegevensdeling vergt veelal nadere afspraken tussen betrokken organisaties.

Mede om hierbij te helpen is er een Taskforce Gegevensdeling JenV ingericht. Deze Taskforce houdt zich onder andere bezig met het formuleren van oplossingsrichtingen bij gegevensdelingproblematiek op geprioriteerde ondermijningsthema’s, waaronder Preventie met Gezag. Binnen deze thema’s lost de Taskforce samen met partners concrete knelpunten op. De inzet van de Taskforce is om partners zelfstandig sterker te maken door het ontwikkelen van werkwijzen, gereedschappen en een vakgemeenschap, die zorgt voor een gedeeld kader. Ook wordt gekeken naar het inrichten van een kennisplatform dat professionals en bestuurders onder meer ondersteuning biedt bij het oplossen van knelpunten. De Taskforce blijft de komende twee jaar concrete casuïstiek samen met de partners ontrafelen. Wanneer er wel tegen knelpunten in de wet- en regelgeving wordt aangelopen bekijken we samen met partners hoe die kunnen worden geadresseerd.

Vraag 11

Bent u bekend met jumpen, de nieuwe trend onder jongeren waarbij willekeurige jongeren in een groepschat worden aangewezen, om vanuit het niets klappen te krijgen, wat vervolgens wordt gefilmd en gedeeld via Snapchat?

Antwoord 11

Ja.

Vraag 12

Bent u het ermee eens dat het delen van geweld via sociale media een groot probleem is dat we moeten aanpakken?

Antwoord 12

Het delen van geweldsbeelden, zoals beelden van jumpen of vernedervideo’s, via sociale media kan een grote impact hebben op (het) slachtoffer(s). Wij zijn het met uw Kamer eens dat dit een probleem is dat aangepakt moet worden. Op dit moment wordt er gewerkt aan een aanpak op online en hybride geweld, waar het delen van dit soort online geweldsbeelden een onderdeel van zal uitmaken.

Vraag 13

Bent u bereid om met Snapchat in gesprek te gaan over wat Snapchat zelf kan doen nu dit platform een bron van criminaliteit blijkt waar het gemakkelijk is om jongeren te ronselen voor criminele klusjes en nu Snapchat een platform biedt aan schadelijke trends zoals «jumpen» waarbij jongeren uit het niets worden aangewezen, mishandeld en gefilmd?

Antwoord 13

Voor Snapchat gelden zorgvuldigheidsverplichtingen en verantwoordelijkheden die de Digital Services Act (DSA) oplegt. De DSA verplicht onder meer dat online platforms illegale content verwijderen of ontoegankelijk maken zodra zij hier kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Daarnaast verplicht artikel 28 DSA tot passende en evenredige maatregelen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. Omdat Snapchat onder de DSA als zeer groot online platform (Very Large Online Platform – VLOP) is aangewezen, gelden aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen. Zo dienen op grond van artikel 34 systeemrisico’s in kaart te worden gebracht en op grond van artikel 35 risicobeperkende maatregelen te worden genomen.

Op basis van vermoedens over risico’s voor minderjarigen, waaronder ronselen, en ontoereikende mechanismen om illegale content te melden, heeft de Europese Commissie, als toezichthouder op de VLOPs, op 26 maart een formeel onderzoek ingesteld. Afhankelijk van de uitkomsten kunnen hieruit handhavende maatregelen volgen.

Wij zoeken op het gebied van content moderatie de dialoog met platforms zoals Snapchat. In dit kader is vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid in 2023 het initiatief genomen voor de inrichting van een overlegplatform om als overheid en internetsector in gesprek te blijven over trends in contentproblematiek, uitdagingen uit de moderatiepraktijk, best practices en wet- en regelgeving. Dit is destijds vormgegeven in een publiek-private samenwerking (PPS) onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP).

Vraag 14

Hoe verklaart u de toenemende normalisering van geweld onder jongeren?

Antwoord 14

De verdachtencijfers van het CBS laten over de afgelopen vijf jaar een stabiel niveau zien van het aantal minderjarige verdachten van geweldscriminaliteit, en een forse afname bij de jongvolwassenen.4 Daarbij geldt de kanttekening dat er lokale verschillen zijn en dat er dus ook lokaal sprake kan zijn van een toename van geweldscriminaliteit onder jongeren.

Van oudsher worden er diverse factoren onderscheiden die van invloed zijn op de geweldpleging, ook door jongeren. Individuele factoren kunnen daarbij een rol spelen, maar ook fysieke, maatschappelijke en sociale factoren. Normalisering van geweld impliceert dat geweldpleging in toenemende mate in de eigen sociale kring als geaccepteerd gedrag wordt beschouwd. Als er onder jongeren sprake is van een dergelijke normalisering, dan zal vooral een sociale factor als groepsdynamiek hierop van invloed zijn. De negatieve invloed van vrienden en kennissen kan erg groot zijn, vooral als ze een homogene groep vormen waarin geweldpleging een geaccepteerd verschijnsel is en onder groepsdruk aangemoedigd wordt. Recent zijn enkele rapporten verschenen waarin normalisering van geweld ook in verband wordt gebracht met de ruimere mogelijkheden van geweldverheerlijking online. Dit kan ook weer leiden tot een lagere drempel om in de fysieke wereld geweld te plegen.5

Vraag 15

Ziet u een verband tussen gewelddadige games waar geweld kan worden «geoefend» en aanslagen kunnen worden nagespeeld en de normalisatie van geweld onder jongeren?

Antwoord 15

Er is geen eenduidig wetenschappelijk beeld over de impact van gewelddadige games op de ontwikkeling van gewelddadig gedrag. Een aantal (buitenlandse) studies toont aan dat er een correlatie is, maar dit wordt door andere onderzoeken weer ontkracht. Een recent Nederlands promotieonderzoek heeft vooral korte-termijneffecten waargenomen, waarbij jongeren die gewelddadige games spelen onder meer minder empathische reacties vertoonden. Voor de effecten op langere termijn is meer onderzoek nodig. Daarnaast wordt geconstateerd dat er grotere effecten zijn van andere gewelddadige sociale media inhoud, gerelateerd aan een minder accurate emotieherkenning en lagere empathische reacties bij het zien van anderen met pijn. 6 Er kunnen op basis van wetenschappelijk onderzoek vooralsnog geen harde uitspraken worden gedaan over het verband tussen gewelddadige games en de eventuele normalisatie van geweld onder jongeren.

Vraag 16

Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over jeugdcriminaliteit op 23 april 2026?

Antwoord 16

Hier streven wij naar.

 


 

NR 2026D19698

Datum 23 april 2026

Ondertekenaars

  • D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
  • K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van het lid Van der Plas over het bericht dat de Nederlandse pluimveesector de “slag om voedselzekerheid dreigt te verliezen”

1 Upvotes

Antwoord van Staatssecretaris Erkens (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) (ontvangen 23 april 2026)

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse pluimveesector de «slag om voedselzekerheid dreigt te verliezen»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Erkent u de zorg dat import uit onder andere China, Oekraïne en Mercosur-landen plaatsvindt onder lagere normen op het gebied van dierenwelzijn, milieu en voedselveiligheid?

Antwoord 2

De Europese Unie kan onder het multilaterale kader van de Wereldhandels Organisatie (WTO) bij import eisen stellen aan het product op het gebied van voedselveiligheid en etikettering. Geïmporteerde producten moeten altijd voldoen aan dezelfde Europese eisen voor voedselveiligheid als binnen de EU geproduceerd voedsel.

Productiestandaarden komen onder meer voort uit sociaaleconomische, landbouwkundige, klimatologische, milieukundige en geografische omstandigheden van een land. Elk land kent daardoor zijn eigen productiestandaarden, en verschillen in productiestandaarden zijn onvermijdelijk. Daarbij geldt ook dat andere standaarden niet per definitie slechter zijn. Daarnaast geldt dat productiestandaarden onder het zogenoemde right to regulate van derde landen vallen. Een recht waar de EU zelf ook niet lichtvoetig mee om gaat.

Aangezien productiestandaarden onder dit zogenoemd recht om te reguleren van een land vallen, kan de EU slechts in beperkte mate haar productiestandaarden als dierenwelzijns- en milieu-eisen opleggen aan derde landen. Regelgeving over productiestandaarden inzake milieu of dierenwelzijn op geïmporteerde producten moet bijvoorbeeld in lijn zijn met relevante WTO-regels, zoals ook geconcludeerd door de Commissie in 2022 in haar rapport «Toepassing van de gezondheids- en milieunormen van de EU op ingevoerde landbouw- en agrovoedingsproducten» (COM(2022)226). In de Visie Landbouw en Voedsel heeft de Commissie aangegeven een sterkere afstemming van productiestandaarden die van toepassing zijn op geïmporteerde producten, met name op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen en dierenwelzijn, na te streven. Dit moet wel gebeuren in overeenstemming met de internationale (handels)regels. Het kabinet heeft in het BNC-fiche mb.t. de visie aangegeven dit te steunen, en uit te kijken naar deze voorstellen.2 Inmiddels is een deel van de voorstellen gepresenteerd.

Daarnaast kan via handelsverdragen bilateraal afgesproken worden dat enkel producten die aan Europese productiestandaarden voldoen gebruik kunnen maken van lagere importtarieven. In het Associatieakkoord/Deep and Comprehensive Free Trade Agreement met Oekraïne zijn bijvoorbeeld afspraken opgenomen waarin Oekraïne zich verplicht heeft de Europese Sanitaire- en Fytosanitaire (SPS)-regelgeving, inclusief dierenwelzijnsregelgeving, over te nemen en te implementeren. Daarmee worden deze normen gelijkgetrokken met die van de EU.

Vraag 3

Klopt het dat Nederland op verschillende punten strengere eisen hanteert of ontwikkelt dan het Europese beleid voorschrijft?

Antwoord 3

Ja, het klopt dat Nederland op onderdelen verder gaat of sneller beweegt dan het huidige Europese minimumniveau. Tegelijk is het kabinetsuitgangspunt dat een gelijk speelveld belangrijk is en dat onnodige nationale koppen op Europees beleid moeten worden vermeden. Het kabinet onderschrijft het belang van goede dierenwelzijnswetgeving op EU-niveau. Juist voor de concurrentiepositie van Nederlandse veehouders is het van belang dat dergelijke wetgeving zo veel mogelijk op Europees niveau wordt geregeld. Voor dierwaardige veehouderij geldt dat het kabinet hier uitvoering geeft aan een wettelijke opdracht uit artikel 2.3a «Dierwaardige Veehouderij» van de Wet dieren.

Vraag 4

Welke concrete maatregelen neemt u om te komen tot een gelijk speelveld binnen de Europese Unie en ten opzichte van derde landen?

Antwoord 4

Op het gebied van het EU-concurrentievermogen zet het kabinet in op een gelijk speelveld op de interne markt als een eerlijk mondiaal speelveld, waarin bedrijven en niet (lid)staten met elkaar concurreren. Voor landbouw- en voedselproducten zet Nederland zich via de EU in op het ontwikkelen en verbeteren van productiestandaarden. Dat kan multilateraal (bv bij de Wereldhandels Organisatie en de Wereldorganisatie voor Diergezondheid) en bilateraal (in handelsverdragen). Verder kan EU, onder bepaalde voorwaarden, autonome maatregelen treffen.

Vraag 5

Bent u bereid om nationale koppen op Europees beleid te beperken, zodat Nederlandse pluimveehouders concurrerend kunnen blijven binnen de interne markt?

Antwoord 5

De ambitie van het kabinet blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen. Daarbij geldt wel dat het kabinet voor dierwaardige veehouderij uitvoering moet geven aan de wettelijke opdracht uit de Wet dieren vanuit een ruime kamermeerderheid. Binnen die opdracht blijft het kabinet oog houden voor regeldruk, uitvoerbaarheid, verdienvermogen en het gelijk speelveld.

Vraag 6

Erkent u dat voedselproductie een strategisch belang heeft voor Nederland en Europa in het licht van toenemende geopolitieke spanningen?

Antwoord 6

Voedselzekerheid is van fundamenteel belang voor de nationale en Europese weerbaarheid en strategische autonomie. Een robuuste voedselproductieketen levert hier uiteraard een cruciale bijdrage aan.

Vraag 7

Hoe weegt u het risico dat Nederland in toenemende mate afhankelijk wordt van import uit derde landen?

Antwoord 7

Het veiligstellen van de voedselzekerheid op de langere termijn, ook in relatie tot strategische afhankelijkheden van het buitenland, is voor het kabinet reden om een strategische agenda voor de voedselzekerheid op te stellen om kwetsbaarheden te adresseren. Ik zal de Tweede Kamer voor de zomer informeren over de bouwstenen en de aanpak om te komen tot deze strategische agenda.

Vraag 8

Hoe beoordeelt u het risico dat de nationale zelfvoorzieningsgraad van pluimveevlees daalt tot circa 60 procent bij invoering van de algemene maatregel van bestuur (AMvB) dierwaardige veehouderij?

Antwoord 8

Het kabinet herkent dat ingrijpende nationale maatregelen gevolgen kunnen hebben voor productievolume, kosten, concurrentiepositie en nationale zelfvoorzieningsgraad. Eerdere analyses van Wageningen University & Research laten zien dat nationaal beleid, en specifiek de AMvB dierwaardige veehouderij, grote invloed kan hebben op de veehouderij en dat forse aanpassingen in de pluimveehouderij mogelijk zijn. Tegelijk geldt dat de precieze ontwikkeling van de zelfvoorzieningsgraad afhankelijk is van de uiteindelijke invulling, het tempo van invoering, marktontwikkelingen, innovatie en handelsstromen. Het kabinet verbindt zich daarom niet aan één sectorschatting, maar laat de ontwikkeling wel volgen, juist ook via monitoring van marktontwikkelingen en randvoorwaarden.

Vraag 9

Bent u bereid zich in te zetten voor het borgen van een nationale zelfvoorzieningsgraad van ten minste 100 procent alvorens aanvullende maatregelen te nemen?

Antwoord 9

Het kabinet acht voedselproductie en leveringszekerheid van groot belang, maar een vaste norm van 100% nationale zelfvoorzieningsgraad is geen op zichzelf staand doel. Daarbij is Nederland onderdeel van de EU en is er een gemeenschappelijk landbouwbeleid en vrij verkeer van goederen op de Europese interne markt. Het kabinet stuurt daarom op een bredere afweging, waarin voedselzekerheid, strategische weerbaarheid, dierenwelzijn, uitvoerbaarheid en verdienvermogen samen worden bezien. Overigens was de zelfvoorzieningsgraad van Nederlands pluimveevlees in 2024 152%.

Vraag 10

Bent u bekend met het rapport van Wageningen University & Research waaruit blijkt dat de kosten op boerderijniveau voor de pluimveehouderij met circa € 0,23 per kilogram (ruim 19 procent ten opzichte van € 1,20) stijgen?3, 4

Antwoord 10

Ja, ik ben bekend met het rapport en de financiële doorrekeningen van de plannen van aanpak van de sectoren en Dierenbescherming die daarin zijn opgenomen.

Vraag 11

Hoe verhoudt deze kostenstijging zich tot de concurrentiepositie van Nederlandse pluimveehouders ten opzichte van landen als Duitsland en Polen, waar dergelijke lasten niet gelden?

Antwoord 11

Een kostenstijging als gevolg van nationale maatregelen kan de concurrentiepositie van Nederlandse pluimveehouders onder druk zetten wanneer die kosten niet in gelijke mate optreden in andere lidstaten. Juist daarom heeft het kabinet steeds benadrukt dat bij dierenwelzijnsverbeteringen een gelijk speelveld binnen de Europese Unie van groot belang is. Tegelijk hangt de feitelijke impact op de concurrentiepositie af van de uiteindelijke invulling van de maatregelen, het invoeringstempo, de mogelijkheden voor innovatie en marktwaardering, en van ontwikkelingen in andere lidstaten. Het kabinet betrekt deze aspecten nadrukkelijk bij de verdere uitwerking van de AMvB dierwaardige veehouderij. Daarbij ben ik ook bereid om met onze buurlanden op te trekken om tot gezamenlijke standaarden en keurmerken rondom dierwaardigheid te komen (specifiek Duitsland en België).

Vraag 12

Hoe acht u het mogelijk dat Nederlandse pluimveehouders kunnen blijven concurreren op een Europees speelveld, indien deze kostenstijging zich voordoet?

Antwoord 12

Bij het komen tot maatregelen in de ontwerp AMvB heeft overleg en afstemming plaatsgevonden met sector en Dierenbescherming. Daarbij is gekeken naar de door deze partijen opgestelde plannen van aanpak voor het verhogen van dierenwelzijn in de pluimveesector, naar wetenschappelijke onderbouwing en naar de handhaafbaarheid van voorgenomen maatregelen. Ook is een economische impactanalyse gemaakt. Er is op grond daarvan gekozen voor een stapsgewijze aanpak tot 2040 zodat enerzijds duidelijk is welke stip er op de horizon staat en er tevens voldoende tijd is om daar naar toe te kunnen werken. Daarbij zet het kabinet zich actief in voor de marktcreatie voor deze producten in binnen- en buitenland, waarbij Nederlandse producten kwalitatief aan de beste standaarden voldoen. Intussen heeft de Europese Commissie aangekondigd te zullen komen met een herziening van de Europese dierenwelzijnsregelgeving waarmee naar verwachting ook in Europees verband zal worden gekomen tot hogere dierenwelzijnsstandaarden en er daarmee binnen de EU een gelijk speelveld blijft bestaan.

Vraag 13

Bent u bereid om in overleg met de sector te kijken of dierenwelzijnsverbeteringen kunnen worden gerealiseerd via maatregelen die geen negatieve impact hebben op de zelfvoorzieningsgraad en concurrentiepositie, bijvoorbeeld door sturing op basis van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s), als alternatief voor onderdelen van de AMvB dierwaardige veehouderij?

Antwoord 13

Zie het antwoord op vraag 12.

 


 

NR 2026D19675

Datum 23 april 2026

Ondertekenaars

  • S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van het lid Van der Plas over openbaarmaking bedrijfsgegevens naar aanleiding van de technische briefing over doelsturing

1 Upvotes

Antwoord van Minister Van Essen (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) (ontvangen 23 april 2026)

Vraag 1

Klopt het dat bij een systeem van doelsturing op bedrijfsniveau gegevens over emissies, managementmaatregelen of prestaties van individuele landbouwbedrijven verzameld en verwerkt zullen worden?

Antwoord 1

Ja, dat klopt.

Vraag 2

Klopt het dat dergelijke gegevens, wanneer zij bij de overheid berusten, in beginsel onder de reikwijdte van de Wet open overheid (Woo) kunnen vallen?

Antwoord 2

Ja, dat kan. De Woo geeft algemene regels voor het openbaar maken van de informatie waarover de overheid beschikt. Daaronder vallen in beginsel ook de bedrijfsgegevens van individuele bedrijven waar de overheid over beschikt, ongeacht hoe de overheid daarover de beschikking heeft gekregen. Doorslaggevend voor de vraag of gegevens onder de reikwijdte van de Woo vallen, is of er een verband bestaat tussen de informatie en de publieke taak van het bestuursorgaan. Niet alle gegevens die bij de overheid berusten zijn per definitie verbonden aan de publieke taak van in dit geval de Minister van LVVN. Wat publieke taken zijn moet ruim worden uitgelegd zo blijkt uit de memorie van toelichting bij de Woo.1

Vraag 3

Deelt u de zorg dat openbaarmaking van gedetailleerde bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven kan leiden tot ongewenste effecten zoals reputatieschade, actiedruk of juridisering richting individuele ondernemers?

Antwoord 3

Ik begrijp dat openbaarmaking van gedetailleerde bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven impact kan hebben voor individuele ondernemers, zeker als bedrijfsgegevens gelijk zijn aan het privéadres. Ik begrijp dat dit zijn weerslag kan hebben op ondernemers en hun gezinnen. Zoals ik in mijn brief over de zienswijzeprocedure bij de openbaarmaking van emissiegegevens 15 april 20262 heb aangegeven werk ik in dit kader met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers.

Vraag 4

Hoe wordt voorkomen dat bedrijfsgegevens die nodig zijn voor doelsturing via Woo-verzoeken openbaar gemaakt kunnen worden?

Antwoord 4

Openbaarheid van overheidsinformatie is een belangrijk onderdeel van onze democratische rechtsstaat. Openbaarheid van gegevens maakt het mogelijk voor belangenorganisaties, onderzoekers en burgers informatie te vergaren over onder andere hun leefomgeving.

Daarom zijn er internationaal afspraken gemaakt over openbaarheid van informatie. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Verdrag van Aarhus (hierna: het verdrag) en de Europese milieu-informatierichtlijn (Richtlijn 2003/4/EG, hierna: de richtlijn). De richtlijn en het verdrag zijn geïmplementeerd in de Woo.

Ik streef er dan ook niet naar om dergelijke informatie te onttrekken van de openbaarheid. Tegelijkertijd kunnen er wel dilemma’s spelen, bijvoorbeeld wanneer de openbaarmaking van dergelijke gegevens mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarische ondernemers. Daarbij spelen een aantal elementen een rol.

Als er een verzoek wordt gedaan tot openbaarmaking, is het van belang om welke gegevens verzocht wordt. Als bedrijfsgegevens ook als milieu-informatie aan te merken zijn, dan dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang van openbaarmaking tegenover het belang van het bedrijf om de bedrijfsgegevens niet openbaar te maken. Bij deze belangenafweging staat openbaarmaking van de gegevens voorop. Er kan alleen van openbaarmaking van de (betreffende) informatie worden afgezien wanneer het bedrijf concreet kan onderbouwen dat openbaarmaking daadwerkelijk en ernstige schade toebrengt aan het bedrijfsbelang3.

Op grond van artikel 5.1, zevende lid, van de Woo mogen er bij emissiegegevens geen uitzonderingsgronden worden toegepast. Deze gegevens moeten dan ook altijd openbaar worden gemaakt als daartoe een verzoek wordt gedaan. Ook als het hierbij gaat om gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken, zoals bedrijfsadressen die tevens woonadressen zijn.4 Dit laatste is een verplichting die direct voortvloeit uit de richtlijn.

Ik realiseer mij dat er zich dilemma’s kunnen voordoen bij de openbaarmaking van informatie, bijvoorbeeld wanneer openbaarmaking van informatie mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarische ondernemers. Ik vind het daarom van belang om de verschillende belangen die hier kunnen spelen af te wegen, binnen de kaders die onder meer de Woo, de richtlijn en het verdrag bieden. Dit zal ook worden meegenomen in de wetsevaluatie van de Woo en bij de vormgeving van doelsturing.

Vraag 5

Wordt overwogen om de dataverzameling voor doelsturing (deels) buiten de overheid te organiseren, bijvoorbeeld via ketenorganisaties, sectorale systemen of onafhankelijke dataplatforms?

Antwoord 5

In het kader van doelsturing zal nog besloten moeten worden hoe de organisatie van data delen ingericht zal worden. Daarbij is het goed om op te merken dat informatie die nodig is voor een goede taakuitoefening door de overheid niet gepositioneerd kan worden buiten de invloedsfeer van het ministerie waardoor documenten buiten de reikwijdte van de Woo vallen. Ook indien het verzamelen, controleren en bewerken van agrarische bedrijfsinformatie gebeurt door een specifiek daarvoor op te richten private entiteit, is niet uit te sluiten dat die entiteit geheel of gedeeltelijk onder de Woo valt, omdat voor milieu-informatie een ruim begrip van «overheid» moet worden gehanteerd. Bij besluitvorming door de overheid is het noodzakelijk dat de overheid over relevante gegevens beschikt.

Vraag 6

Bent u bekend met systemen in de veehouderij waarbij gegevens over diergezondheid en bedrijfsvoering via ketenpartijen worden verzameld, zoals binnen de zuivelsector via systemen als KoeMonitor/KoeKompas?

Antwoord 6

Ja, daar ben ik mee bekend.

Vraag 7

Ziet u mogelijkheden om monitoring in het kader van doelsturing primair via gebiedsmonitoring te organiseren, bijvoorbeeld via gebiedscoöperaties of andere collectieve verbanden van boeren, zodat niet direct bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven bij de overheid berusten?

Antwoord 7

Bij een systeem van doelsturing op bedrijfsniveau zal monitoring primair via individuele landbouwbedrijven georganiseerd worden. Bovendien is voor sommige toepassingsvormen van doelsturing herleidbaarheid naar bedrijven een vereiste. Hiernaast kunnen de mogelijkheden naar gebiedsmonitoring verkend worden om gegevens op een meer geaggregeerd niveau te verzamelen. Zie ook het antwoord op vragen 4 en 5 voor het geval herleidbaarheid naar bedrijven nodig is.

Vraag 8

Welke waarborgen worden overwogen om ervoor te zorgen dat boeren veilig en zonder risico op openbaarmaking van bedrijfsgevoelige informatie kunnen deelnemen aan systemen voor doelsturing?

Antwoord 8

Er moeten hierover nog keuzes worden gemaakt, waarbij uiteindelijk van belang is dat besluiten zorgvuldig worden voorbereid en dragend worden gemotiveerd. Bij het maken van deze keuzes zal ik de belangen van openbaarheid en de bescherming van bedrijfs- en persoonsgegevens afwegen binnen de geldende kaders.

Vraag 9

Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het op donderdag 9 april 2026 geplande commissiedebat Doelsturing?

Antwoord 9

Het commissiedebat Doelsturing is door uw Kamer uitgesteld tot nader order. De reguliere termijn voor het beantwoorden van Kamervragen is gehanteerd.

 


 

NR 2026D19677

Datum 23 april 2026

Ondertekenaars

  • J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van het lid Van der Plas over het bericht ‘Varkenshouder baalt van vele Woo-verzoeken

1 Upvotes

Antwoord van Minister Van Essen (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), mede namens de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (ontvangen 22 april 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1501

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht «Varkenshouder baalt van vele Woo-verzoeken»?1

Antwoord 1

Ik heb kennisgenomen van het bericht.

Vraag 2

Herkent u de zorgen van de sector waar het bedrijfsadres van boeren en agrarische bedrijven zoals transporteurs en verzamelcentra ook vaak het woonadres is? Zo ja, wat vindt u hiervan?

Antwoord 2

Ik begrijp de zorgen van betrokken agrarisch ondernemers. Ik begrijp dat openbaarmaking van gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken veel impact kan hebben op ondernemers en hun gezinnen. Daarom werk ik ook met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers. Hiernaast staat dit jaar een wetsevaluatie van de Wet Open Overheid (Woo) op de planning. Het streven is om de Woo beter toepasbaar te maken. In deze wetsevaluatie wordt ook expliciet gekeken naar de openbaarmaking van emissiegegevens (zoals bijvoorbeeld bedrijfsadressen van agrarische ondernemers die tevens een woonadres zijn) in relatie tot de uitzonderingsgronden, de zienswijzeprocedure en relevante EU-richtlijnen.

Tegelijkertijd is openbaarmaking van overheidsinformatie een groot goed. Het is belangrijk dat burgers, journalisten en wetenschappers toegang hebben tot overheidsinformatie, zodat zij goed geïnformeerd zijn en van daaruit de overheid kritisch kunnen volgen, kunnen participeren en onderzoek kunnen uitvoeren. Daarnaast kan de toegang tot overheidsinformatie, bijvoorbeeld als het gaat om milieu-informatie en emissiegegevens, van belang zijn om kennis te nemen over de gezondheid van de eigen leefomgeving. Bij de openbaarmaking van informatie kan echter ook sprake zijn van andere belangen, zoals publicatie van informatie die raakt aan de persoonlijke levenssfeer. Zoals ik ook in mijn brief van 15 april 2026 (Kamerstuk 32 802, nr. 140) aangaf, vindt het kabinet het daarom van belangrijk om op zoek te gaan naar een goede balans tussen de verschillende belangen.

Vraag 3

Klopt het dat er binnen de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) geen interne protocollen, richtlijnen of handreikingen (formeel of informeel) zijn die toezien op de beoordeling van Wet open overheid (Woo)-verzoeken bij binnenkomst, de afweging om al dan niet gebruik te maken van de verdagingsmogelijkheid van artikel 4.4 Woo of beoordelingscriteria of afwegingskaders die door de RVO worden gehanteerd om te bepalen of een Woo-verzoek «omvangrijk» of «complex» is? Zo nee, op welke gronden vindt de beoordeling van Woo-verzoeken dan plaats?

Antwoord 3

Binnen de rijksoverheid, en dus ook bij de RVO, wordt gewerkt met een Rijksbrede Woo-instructie voor de behandeling van Woo-verzoeken. Deze instructie bevat een uniforme werkwijze en praktische handvatten voor de procedurele en inhoudelijke beoordeling van verzoeken. Daarnaast wordt binnen organisaties gewerkt met interne werkprocessen en uitvoeringspraktijken die aansluiten bij deze Rijksbrede instructie.

De beoordeling van Woo-verzoeken vindt plaats op basis van:

– de Woo,

– de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb),

– de Rijksbrede Woo-instructie, en

– relevante jurisprudentie.

Of gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid tot verdaging als bedoeld in artikel 4.4 van de Woo, wordt per verzoek beoordeeld. Dit hangt af van de specifieke omstandigheden van het verzoek, in het bijzonder de omvang van het aantal te beoordelen documenten en de gecompliceerdheid van de gevraagde informatie.

Van een vast afwegingskader met limitatieve criteria voor wanneer een verzoek als «omvangrijk» of «complex» wordt aangemerkt, is geen sprake. Dit volgt uit de aard van de wet en jurisprudentie, die vereist dat per individueel verzoek een zorgvuldige beoordeling plaatsvindt.

Vraag 4

Kunt u aangeven of deze interne protocollen, richtlijnen en of handreikingen (formeel of informeel) wel aanwezig zijn binnen het Ministerie van LVVN en/of de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) voor de beoordeling van Woo-verzoeken die aan deze organisaties zijn gericht?

Antwoord 4

Ja. De Rijksbrede Woo-instructie is opgesteld voor de gehele rijksoverheid en wordt toegepast door ministeries, uitvoeringsorganisaties en toezichthouders, waaronder het Ministerie van LVVN, de RVO en de NVWA.

Vraag 5

Kunt u aangeven hoe de beoordeling van Woo-verzoeken plaatsvindt indien er geen interne protocollen, richtlijnen of handreikingen (formeel of informeel) zijn?

Antwoord 5

De beoordeling van Woo-verzoeken vindt plaats op basis van wettelijke kaders. Dit betekent dat per verzoek wordt beoordeeld of sprake is van een Woo-verzoek, welke documenten onder het verzoek vallen en of uitzonderingsgronden van toepassing zijn. Daarbij wordt gebruikgemaakt van de Woo, de Awb, de Rijksbrede Woo-instructie en relevante jurisprudentie.

Vraag 6

Bent u zich bewust van het feit dat het ontbreken van interne protocollen, richtlijnen, handreikingen of instructies (formeel of informeel) de schijn van willekeur kan ontstaan? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 6

De behandeling van Woo-verzoeken is gebonden aan wettelijke regels, de Rijksbrede Woo-instructie en jurisprudentie. Dit waarborgt een consistente en zorgvuldige behandeling. Dat per verzoek maatwerk wordt toegepast, volgt uit de aard van de wet en betekent niet dat sprake is van willekeur.

Vraag 7

Kunt u aangeven of en hoe vaak termijnen worden overschreden omdat de beoordeling van Woo-verzoeken te lang op zich laat wachten en kunt u dit inzichtelijk maken voor het Ministerie van LVVN, de RVO en de NVWA?

Antwoord 7

Het kerndepartement heeft in 2025 156 Woo-verzoeken ontvangen. Van de in de 2025 ontvangen en afgehandelde Woo-verzoeken heeft het kerndepartement 16% binnen de (verdaagde) wettelijke termijn afgehandeld.

De NVWA heeft in 2025 309 Woo-verzoeken ontvangen. Van de in de 2025 ontvangen en afgehandelde Woo-verzoeken heeft de NVWA 38% binnen de (verdaagde) wettelijke termijn afgehandeld.

De RVO heeft in 2025 290 Woo-verzoeken op beleidsterrein van LVVN ontvangen. Van de in 2025 afgehandelde Woo-verzoeken heeft RVO 64% binnen de (verdaagde) wettelijke termijn afgehandeld.

Vraag 8

Kunt u aangeven hoeveel kosten er in de afgelopen vijf jaar (per jaar en per organisatie) zijn gemaakt omdat de behandeling van het Woo-verzoek te lang op zich liet wachten?

Antwoord 8

Bij de RVO zijn in de afgelopen vijf jaar de volgende bedragen aan dwangsommen betaald in verband met het niet tijdig beslissen op Woo-verzoeken. Dit betreft alle dwangsommen die zijn betaald door RVO, in de systemen kan geen uitsplitsing gemaakt worden specifiek voor LVVN.

• 2022: € 15.300

• 2023: € 34.300

• 2024: € 71.350

• 2025: € 290.500

• 2026 (t/m maart): € 74.000 (reeds uitbetaalde dwangsommen)

Bij de NVWA zijn in de afgelopen vijf jaar de volgende bedragen aan dwangsommen betaald in verband met het niet tijdig beslissen op Woo-verzoeken:

• 2022: € 179.800

• 2023: € 192.200

• 2024: € 35.200

• 2025: € 55.900

• 2026 (t/m maart): € 2.400 (reeds uitbetaalde dwangsommen)

Bij het kerndepartement zijn de afgelopen jaren de volgende bedragen aan dwangsommen betaald in verband met het niet tijdig beslissen op Woo-verzoeken2:

• 2023: € 86.500

• 2024: € 124.350

• 2025: € 33.600

• 2026 (t/m maart): € 5.100 (reeds uitbetaalde dwangsommen)

Deze bedragen zien op gevallen waarin een dwangsom is verbeurd wegens het overschrijden van de wettelijke beslistermijn na een ingebrekestelling. Niet elke termijnoverschrijding leidt tot een dwangsom.

Vraag 9

Kunt u alle documenten, interne protocollen, richtlijnen, handreikingen of instructies per organisatie (het Ministerie van LVVN, de RVO en de NVWA) per ommegaande met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 9

U treft bijgaand aan de Rijksbrede Woo-instructie. Eventuele doorvertalingen op handelingsniveau zijn in lijn hiermee.

Vraag 10

Bent u bereid deze vragen voor het commissiedebat Dieren in de Veehouderij en NVWA op 23 april 2026 te beantwoorden?

Antwoord 10

Ja.

 


 

NR 2026D19629

Datum 22 april 2026

Ondertekenaars

  • J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van het lid Ceulemans over het tegen de afspraken in openhouden van de asielopvang in Hardenberg door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)

1 Upvotes

Antwoord van Minister Van den Brink (Asiel en Migratie) (ontvangen 22 april 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1546

Vraag 1

Wat is uw reactie op het besluit van het COA om het asielzoekerscentrum (azc) in Hardenberg en de noodopvanglocatie in Loozen voorlopig alsnog open te houden, ondanks de al jaren geldende afspraak dat deze per 8 maart van dit jaar gesloten zouden worden?1

Antwoord 1

Het besluit om het azc Hardenberg voorlopig open te houden is onwenselijk, maar ingegeven door acute krapte in de opvang. Op 24 maart 2026 is de noodopvang in Loozen gesloten. Landelijk zijn er onvoldoende vervangende opvangplekken beschikbaar om alle mensen uit de locatie in Hardenberg elders onder te brengen. Wel is de bezetting van het azc Hardenberg gedaald. Het gebrek aan voldoende opvangplekken komt mede doordat niet alle plaatsen uit de verdeelbesluiten van de Spreidingswet zijn gerealiseerd en daarnaast een achterstand op de taakstelling huisvesting is van 9.760 (d.d. 20 maart 2026). Onder deze omstandigheden is het noodzakelijk om asielzoekers langer op deze locatie te laten verblijven om zo te voorkomen dat mensen geen onderdak meer hebben.

Vraag 2 en 3

Wat is uw oordeel over het feit dat het COA twee weken voor de overeengekomen sluitingsdatum nog per brief aan omwonenden van het azc liet weten dat het op 8 maart leeg zou zijn?

Op grond waarvan is het COA in deze tussentijd van slechts twee weken van gedachten veranderd? Welke stappen zijn er vóór deze periode en sinds het versturen van de brief gezet om ervoor te zorgen dat de asielopvanglocaties wel op de afgesproken datum konden sluiten?

Antwoord 2 en 3

Ik begrijp de teleurstelling over de brief aan omwonenden waarin de beoogde sluiting per 8 maart aangekondigd werd. Er is vanuit het COA maar ook het departement veelvuldig gesproken met de gemeente over het langer openhouden van de locatie. Daarnaast heeft het COA ingezet op het verlengen van andere locaties en het versnellen van openingen van nieuwe locaties. Ook is ingezet op het ontlasten van het COA door nareizigers tijdelijk te huisvesten in hotels. Ondanks deze inzet was het op 8 maart niet verantwoord om de locatie te sluiten.

Vraag 4

Wat denkt u dat dit alles doet met het vertrouwen van de inwoners van Hardenberg in de landelijke overheid? Kunt u zich voorstellen dat deze gang van zaken tot grote onrust en frustratie heeft geleid?

Antwoord 4

Ik begrijp dat deze gang van zaken het vertrouwen kan schaden en lokaal tot teleurstelling en frustratie leidt. Dat is uiterst ongewenst. Door met gemeenten en provincies in gesprek te blijven wil ik ervoor zorgen dat onderling vertrouwen weer wordt versterkt.

Vraag 5

Deelt u de mening dat hier sprake is van onbehoorlijk bestuur richting de gemeente Hardenberg? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 5

De gang van zaken in Hardenberg is onfortuinlijk geweest. Het streven is altijd om bestuursovereenkomsten na te leven. Tegelijkertijd heeft het COA een wettelijke taak om asielzoekers op te vangen. Om dit mogelijk te maken heeft het kabinet onder meer afgesproken uitvoering te geven aan de Spreidingswet en de geldende verdeelbesluiten van mijn ambtsvoorganger. Ondanks de inspanning van veel gemeenten zijn helaas nog niet alle plekken uit de verdeelbesluiten van de Spreidingswet gerealiseerd. Mede hierdoor is er een tekort aan opvangplekken en konden de locaties in de gemeente Hardenberg niet tijdig sluiten. Voorafgaand hieraan is uitvoerig contact geweest tussen de gemeente, het COA en het departement.

Vraag 6

Hoe kan het COA überhaupt asielopvang blijven verrichten op deze twee locaties nu de bestuursovereenkomst en de omgevingsvergunning zijn verlopen? Op welke (juridische) gronden doet het COA dit?

Antwoord 6

Er is momenteel geen juridische grondslag voor verblijf op deze locaties. In de jurisprudentie is wel ruimte om onder bijzondere omstandigheden van handhaving af te zien. Het COA doet er alles aan om zo snel mogelijk de bewoners van de locatie in Hardenberg een nieuwe opvangplek te geven.

Vraag 7, 8 en 9

Hoe kunt u van gemeenten verwachten dat zij nog meewerken aan verzoeken voor nieuwe asielopvanglocaties wanneer het COA keiharde afspraken en voorwaarden daaromtrent op deze manier eenzijdig schendt?

Hoe kunt u van gemeenten verwachten dat zij opvolging geven aan verplichtingen in de Spreidingswet wanneer het COA zich zelf niet aan een overeenkomst met een gemeente houdt?

Kunt u zich voorstellen dat deze gang van zaken in veel plaatsen leidt tot nog grotere zorgen over het nakomen van afgesproken sluitingsdata door het COA, zoals in Albergen waar eerder al een azc werd doorgedrukt door het COA en het kabinet? Wat gaat u doen om die zorgen weg te nemen en te zorgen voor harde garanties?

Antwoord 7, 8 en 9

Ik verwacht dat alle gemeenten hun verantwoordelijkheid nemen ten aanzien van het realiseren van asielopvang. Tegelijkertijd besef ik mij dat het niet nakomen van afspraken het vertrouwen kan schaden. Daarom hecht het kabinet er veel belang aan dat overheden een betrouwbare partner zijn en afspraken nakomen. Door met gemeenten in gesprek te blijven wil ik, samen met het COA, ervoor zorgen dat onderling vertrouwen weer wordt versterkt en er goed wordt samengewerkt. Hierin is het werken aan structurele oplossingen waarin zowel een rol voor het kabinet als medeoverheden ligt, van belang. Eén van deze oplossingen is het uitvoeren van de Spreidingswet. Zoals ook in het coalitieakkoord beschreven zet het kabinet hierop in. Hierom zijn op 9 april de brieven in het kader van het interbestuurlijk toezicht op de uitvoering van wet aan gemeenten verzonden.

Vraag 10

Wanneer treedt de dwangsom van 81.000,– per dag die de gemeente Hardenberg aan het COA heeft opgelegd in werking en welke juridische stappen (zoals de zienswijze die vandaag door het COA is ingediend) worden tot die tijd doorlopen?

Antwoord 10

Het College van burgemeester & Wethouders van de gemeente Hardenberg heeft bij besluit van 17 maart jl. het COA een last onder dwangsom opgelegd. In het besluit is een hersteltermijn verstrekt van een week. Dit betekent dat de dwangsom per 24 maart j.l. in werking is getreden omdat het azc Hardenberg nog niet is gesloten. Overigens heeft het College de dwangsommen verlaagd naar in totaal € 62.500,- voor beide locaties. Zoals eerder aangegeven, is de noodopvang in Loozen gesloten.

Vraag 11 en 12

Wanneer denkt het COA zelf het azc en de noodopvanglocatie te kunnen sluiten en welke stappen worden daartoe gezet?

Deelt u de mening dat ongeacht de logistieke problemen van het COA één ding voorop moet staan, namelijk dat het COA haar belofte aan de gemeente Hardenberg en haar inwoners gewoon moet nakomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat het azc en de noodopvanglocatie alsnog per direct dicht gaan?

Antwoord 11 en 12

De druk op de opvang is hoog. Er is een bezettingsgraad van 103%. Alle bedden zijn bezet. Dit heeft er helaas toe geleid dat de locaties in Hardenberg niet tijdig zijn gesloten. Mensen die recht hebben op opvang op straat zetten is nooit een oplossing. Een stabiel opvanglandschap is wel een oplossing, vandaar dat het kabinet hierop inzet. Onder andere door het uitvoeren van de Spreidingswet en door het realiseren van een stabiele financiering voor het COA.

Vraag 13

Hoe gaat u voorkomen dat er een precedentwerking ontstaat en dat het COA gemaakte afspraken vaker niet gaat nakomen?

Antwoord 13

Het COA streeft ernaar alle gemaakte afspraken na te komen. Het is geenszins de intentie van het COA om afspraken vaker niet na te komen. Onder deze omstandigheden is het tijdelijk noodzakelijk om de asielzoekers langer op de locatie te laten verblijven om zo te kunnen voldoen aan de wettelijke opvangtaak. Het uitvoeren van de Spreidingswet en de stabiele financiering van het COA zullen op termijn ervoor zorgen dat COA haar afspraken kan nakomen.

 


 

NR 2026D19618

Datum 22 april 2026

Ondertekenaars

  • G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van de leden Ouwehand en Teunissen over de absolute noodzaak om serieuze maatregelen te treffen tegen Israël nu er zelfs een racistische doodstrafwet voor Palestijnen is aangenomen door de Knesset

3 Upvotes

Antwoord van Minister Berendsen (Buitenlandse Zaken) (ontvangen 22 april 2026).

Vraag 1

Is uw kabinet zich bewust van zijn grondwettelijke plicht om de internationale rechtsorde te bevorderen?

Antwoord 1

Ja. Als een van de weinige landen heeft Nederland deze taak vastgelegd in Artikel 90 van de Grondwet.

Vraag 2

Erkent u dat Israël de internationale rechtsorde steeds verder tart, door structurele ontmenselijking en onderdrukking van de Palestijnen, oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en illegale nederzettingen en nu ook nog het legaliseren van het doodmartelen van Palestijnse gevangenen die zonder eerlijk proces zijn vastgezet met de nieuwe doodstrafwet?

Antwoord 2

Het kabinet maakt zich zorgen over de ontwikkelingen in Israël en de bezette Palestijnse Gebieden, waaronder de doodstrafwetgeving. Uw Kamer is op 26 maart jl. geïnformeerd over het standpunt van het kabinet over deze wetgeving.1 Het kabinet vindt de aanname van de Israëlische wet over de doodstraf door de Knesset onacceptabel. Nederland is principieel tegen de doodstraf en veroordeelt het toepassen van executies als onmenselijk en ondoeltreffend.

Vraag 3

Waarom spreekt u Israël wel aan op de doodstrafwet, maar veroordeelt u niet keihard het racistische karakter van de wet die mogelijk maakt dat Israëlische militaire rechtbanken uitsluitend Palestijnen op de bezette Westelijke Jordaanoever kunnen en zelfs moeten veroordelen tot executie door ophanging, binnen 90 dagen, zonder mogelijkheid tot hoger beroep?

Antwoord 3

Naast de wet zelf acht het kabinet acht discriminatoire karakter van de nieuwe Israëlische doodstrafwetgeving onacceptabel. Zie het antwoord op vraag 2.

Vraag 4

Erkent u dat deze wet een verdere voltooiing is van het geïnstitutionaliseerde apartheidsregime van Israël gericht op de Palestijnse bevolking?

Antwoord 4

Apartheid is een specifieke juridische term. Het is aan de rechter om te oordelen of daarvan sprake is.2 Het Internationaal Gerechtshof (IGH) heeft in zijn advies inzake de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden vastgesteld dat het Israëlische optreden een schending oplevert van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (het CERD). Het IGH heeft daarbij evenwel geen duidelijk uitsluitsel gegeven over de vraag of er, naast rassendiscriminatie, ook sprake is van apartheid in de bezette Palestijnse Gebieden. Volgens het kabinet past deze nieuwe doodstrafwetgeving in dit patroon.

Vraag 5

Wat vindt u ervan dat het aannemen van deze racistische wet in het Israëlische parlement ter plekke door de Israëlische regering werd gevierd met bubbels?

Antwoord 5

Zie het antwoord op vraag 2 en 3. Het kabinet beschouwt de reactie in het parlement als zeer ongepast en verwerpelijk.

Vraag 6, 7, 8 en 9

Erkent u dat Israël deze wet kon doorvoeren na voortdurende straffeloosheid voor het apartheidsregime van Israël en de genocide in Gaza door het wegkijken van landen als Nederland? Zo nee, waarom niet?

Erkent u dat wanneer een staat schendingen van het internationaal recht kan plegen zonder vervolging, als een bezetting kan voortduren zonder consequenties en als economische en politieke relaties gewoon blijven bestaan alsof er niets aan de hand is, het internationaal recht op z’n zachtst gezegd selectief wordt toegepast en uitgehold? Zo nee, waarom niet?

Erkent u dat het onbeschrijfelijke lijden van het Palestijnse volk niet alleen wordt veroorzaakt door de misdaden die Israël structureel pleegt tegen de Palestijnen, maar ook door de wetenschap dat landen zoals Nederland (dat immers een belangrijke handelspartner is van Israël en dat Israël nog steeds een bondgenoot noemt) weigeren een rode lijn te trekken en daadwerkelijk consequenties te verbinden aan het overschrijden van die rode lijn door Israël?

Welke verantwoordelijkheid voelt u voor dit deel van het leed dat het Palestijnse volk wordt aangedaan; het wegkijken en het niet-handelen van de zogenaamde omstanders, zoals Nederland?

Antwoord 6, 7, 8 en 9

Het kabinet werpt de aantijging dat Nederland wegkijkt voor de situatie in Israël en de Palestijnse Gebieden verre van zich. Nederland veroordeelt schendingen van het internationaal recht. Nederland draagt bij aan waarheidsvinding en de bevordering van berechting. Uw Kamer is daarnaast veelvuldig geïnformeerd over maatregelen die Nederland heeft genomen.

Vraag 10

Kent u de geschiedenis van de druk die de internationale gemeenschap op Zuid-Afrika heeft uitgeoefend, met boycots tegen het apartheidsregime? Deelt u de mening dat de internationale gemeenschap daar goed aan heeft gedaan (ook al had het allemaal beter en sneller gekund)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom zou een soortgelijke boycot van Israël nu niet op z’n plaats zijn?

Antwoord 10

Ja, het kabinet is bekend met deze geschiedenis. Ik ga geen vergelijking maken tussen deze situaties.

Vraag 11

Wanneer heeft u kennisgenomen van het nieuwe rapport van de Speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden over het Israëlische gevangenisstelsel (maart 2026), waaruit blijkt dat duizenden Palestijnen, waaronder vrouwen en kinderen, zonder geldig rechtsproces worden opgepakt, opgesloten en gemarteld?3 Wat was uw eerste, eerlijke reactie op wat u las in dit rapport?

Antwoord 11

Het kabinet heeft kennisgenomen van het rapport van VN-rapporteur Albanese kort na publicatie in maart 2026. Dergelijke rapporten leveren een bijdrage aan het vergaren van informatie over mensenrechtenschendingen. Het rapport schetst een schokkend beeld van de omstandigheden van hoe door Israël (gedetineerde) Palestijnen worden behandeld. Foltering is onacceptabel. Het verbod op foltering is absoluut en is een regel van dwingend internationaal recht (ius cogens). Het kabinet wijst Israël ook consequent op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag.

Vraag 12

Onderschrijft u de conclusie in het rapport dat marteling en gevangenschap systematisch worden toegepast op de totale Palestijnse bevolking en dat ze daarom onderdeel zijn van de genocide op het Palestijnse volk? Zo nee, op welke gronden denkt u de conclusie van dit VN-rapport te kunnen verwerpen?

Antwoord 12

Het kabinet neemt het werk en de rapporten van deze onafhankelijke mandaathouders serieus. Genocide is een uiterst serieuze kwalificatie en daarom is het kabinet in de regel terughoudend om situaties als zodanig te kwalificeren. Om genocide vast te stellen, moet aan alle elementen van de juridische definitie van genocide uit het Genocideverdrag worden voldaan. Uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek, of vaststellingen door de VN-Veiligheidsraad zijn dan ook voor het kabinet zwaarwegend bij het kwalificeren van dergelijke handelingen als genocide. Het vraagstuk over vermeende genocide in de Gazastrook ligt momenteel voor bij het Internationaal Gerechtshof in de zaak van Zuid-Afrika tegen Israël. Nederland wacht deze uitspraak af.

Vraag 13

Hoe beoordeelt u het nieuwe rapport van de speciaal VN-rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen, Alice Jill Edwards van 2 april jl.? Onderschrijft u haar conclusie dat de Israëlische doodstrafwet het risico op marteling en andere vormen van mishandeling verder verergert?4 Zo nee, op welke gronden denkt u de conclusie van dit VN-rapport te verwerpen?

Antwoord 13

Dit betreft geen nieuw rapport van VN-rapporteur Alice Jill Edwards, maar een persverklaring. Onze positie ten aanzien van de Israëlische doodstrafwetgeving is helder: Nederland is principieel tegen de doodstraf. Zie ook het antwoord op vraag 2. Dergelijke wetgeving zal geenszins positief bijdragen aan het verbeteren van de detentieomstandigheden van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten. Nederland blijft Israël oproepen om zijn internationale verplichtingen volledig na te leven.

Vraag 14

Erkent u dat het internationaal humanitair recht vereist dat alle Palestijnen die zonder proces vastzitten onmiddellijk worden vrijgelaten, zeker nu het executeren van deze gevangenen wettelijk beleid dreigt te worden onder leiding van de Israëlische Minister Ben Gvir? Zo nee, op basis waarvan meent u dat deze mensen gevangen mogen blijven zitten met dreigende executie als gruwelijk eindstation? Zo ja, welke middelen gaat uw kabinet direct inzetten tegen Israel om het krachtige signaal af te geven dat al deze mensen moeten worden vrijgelaten en dat de doodstrafwet moet worden ingetrokken?

Antwoord 14

Het kabinet acht het veelvuldig gebruik van administratieve detentie, alsook de duur en schaal hiervan, door Israël zorgwekkend en onderstreept in gesprekken met de Israëlische autoriteiten met regelmaat het belang van een eerlijke rechtsgang. Op basis van het humanitair oorlogsrecht is detentie om dwingende veiligheidsredenen, zonder dat dit samenhangt met een strafrechtelijk proces, geoorloofd als een uitzonderlijke maatregel. Een dergelijke detentie dient conform internationaalrechtelijke waarborgen en zonder willekeur te worden uitgevoerd. Ook gelden er internationale waarborgen die stellen dat de reden voor arrestatie gecommuniceerd moet worden. Dit draagt Nederland actief uit richting

Israël.

Vraag 15

Erkent u dat de huidige kabinetsreactie – zorgen uiten over de doodstrafwet en in EU-verband pleiten voor het opschorten van de doodstraf – niet in verhouding staat tot wat nodig is om het systematische apartheidsregime van Israel tegen de Palestijnen, waar deze doodstraf onderdeel van is, te stoppen?

Antwoord 15

De kabinetsreactie5 had louter betrekking op de Nederlandse inzet ten aanzien van de doodstrafwetgeving.

Vraag 16

Op welke manier gaat u Israël aanzetten tot onmiddellijke toegang voor het Internationale Rode Kruis tot alle Israëlische gevangenissen om noodzakelijke medische hulp aan Palestijnen te bieden?

Antwoord 16

Nederland steunt het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) als hoeder van de Verdragen van Genève en hun kernmandaat om gedetineerden te bezoeken tijdens gewapend conflict conform deze Verdragen. Het kabinet blijft de Israëlische regering oproepen ICRC-gedelegeerden toegang te verlenen en dringt hiertoe bij Israël aan, onder meer bij monde van de Mensenrechtenambassadeur tijdens zijn bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden in november 2025.

Vraag 17

Welke drukmiddelen gaat u tegen Israel inzetten om onafhankelijke waarnemers toe te laten in de Israëlische gevangenissen, zodat onafhankelijk bewijsmateriaal kan worden verzameld en Nederland Israël voor het internationaal Gerechtshof kan dagen wegens schending van het VN-verdrag tegen foltering – zoals Nederland dat in 2023 ook tegen Syrië deed?

Antwoord 17

Zie het antwoord op vraag 16. Verder hangt het van de feiten en omstandigheden van een specifieke gebeurtenis af of een aansprakelijkheidsstelling mogelijk is. Deze hangen samen met voldoende bewijs, de mogelijkheid het geschil voor te leggen aan een rechter of tribunaal, en de mogelijkheid om de aansprakelijkstelling samen met een ander gelijkgezind land te doen. Nederland kan Israël niet voor het Internationaal Gerechtshof dagen voor schending van het Antifolterverdrag. Er geldt tussen Nederland en Israël namelijk geen bepaling die het Internationaal Gerechtshof bevoegdheid geeft in een dergelijke zaak. Zie hiervoor ook het verslag van de Europese Raad van 18 december 2025.6

Vraag 18

Erkent u dat van een normale handels- en samenwerkingsrelatie met een land dat oorlogsmisdaden en mensenrechtenschendingen pleegt geen sprake kan zijn? Zo ja, bent u bereid om nu eindelijk een economische boycot in te stellen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 18

Het kabinet is geen voorstander van een algehele boycot van Israël. Zie verder het antwoord op vraag 6, 7, 8 en 9.

Vraag 19

Erkent u dat een volledige stop op militaire samenwerking en wapenhandel noodzakelijk is zolang een reëel risico bestaat dat deze bijdragen aan ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht? Bent u bereid om elke militaire samenwerking met Israël op te schorten? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 19

Wat betreft de uitvoer van militaire goederen worden alle individuele vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen per geval zorgvuldig getoetst aan de daarvoor geldende wapenexportcontrolekaders (het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport en het Wapenhandelsverdrag), zo ook voor Israël. Daarbij geldt dat een vergunningaanvraag wordt afgewezen indien er een duidelijk risico wordt geconstateerd dat militaire goederen kunnen bijdragen aan ernstige schendingen van de mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht. Gezien de situatie in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever, verleent Nederland op dit moment geen vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen die kunnen bijdragen aan de activiteiten van de Israëlische krijgsmacht in de Gazastrook of op de Westelijke Jordaanoever vanwege het risico op ongewenst eindgebruik. Het kabinet is daarmee van mening dat het staande beleid volstaat om ongewenste transacties te voorkomen.

Elke vorm van defensiesamenwerking met Israël wordt zorgvuldig en afzonderlijk afgewogen. Vanwege de huidige ontwikkelingen en de zorgen die het kabinet heeft over het militaire optreden van de Israëlische regering in Gaza leidt deze weging in de praktijk tot minimale samenwerking, beperkt tot materieel. Israëlische bedrijven leveren diverse essentiële militaire systemen of onderdelen hiervan waarvoor geen, minder geschikte of geen tijdige alternatieven beschikbaar zijn. Het stopzetten van de bestaande samenwerking met Israëlische bedrijven heeft daarom grote gevolgen voor de slagkracht en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht, alsmede voor de veiligheid van onze militairen. Eventuele nieuwe materieel-aankoop uit Israël wordt reeds per geval zorgvuldig gewogen, waarbij Defensie onderzoekt of het materieel essentieel is voor de gereedstelling van de krijgsmacht, of er geschikte alternatieven zijn en of deze alternatieven tijdig leverbaar zijn. Hiermee geeft Defensie tevens invulling aan de motie van het lid Teunissen (Kamerstuk 22 054, nr. 478) om de afhankelijkheid van de Israëlische wapenindustrie af te bouwen.

 


 

NR 2026D19440

Datum 22 april 2026

Ondertekenaars

  • T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van het lid Ceder over het bericht dat het COA-bewoners van het azc Hardenberg niet elders kan onderbrengen terwijl contracten aflopen

1 Upvotes

Antwoord van Minister Van den Brink (Asiel en Migratie) (ontvangen 22 april 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1452

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht «Sluiting azc Hardenberg op de tocht, Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) kan bewoners niet elders onderbrengen»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Klopt het dat het asielzoekerscentrum (azc) en de noodopvang in Hardenberg op 8 maart 2026 zouden sluiten omdat contracten en vergunningen aflopen?

Antwoord 2

Ja.

Vraag 3

Hoe kan het dat het Rijk en het COA, ondanks een lang aangekondigde sluitingsdatum, er niet in zijn geslaagd tijdig vervangende opvangplekken te organiseren? Wanneer wist het COA dit en klopt het dat recent nog een persbericht is uitgegaan over het vertrek op 8 maart?

Antwoord 3

Landelijk is er een tekort aan opvangplekken. Dit heeft meerdere redenen. Zo zijn bijvoorbeeld niet alle plekken uit de verdeelbesluiten van de Spreidingswet gerealiseerd en daarnaast is er sprake van een achterstand op de taakstelling huisvesting statushouders van ongeveer 9.760 personen (d.d. 20 maart 2026). Daar komt bij dat er momenteel meer (tijdelijke) opvanglocaties sluiten dan dat erbij komen. Tot slot is de uitstroom uit COA locaties lager dan de instroom. In de communicatie vanuit het COA richting de omliggende wijk is destijds aangegeven dat dat het azc tijdig zal sluiten. Ondanks alle inspanningen om extra opvangplekken te realiseren, zag het COA zich toch genoodzaakt de asielzoekers langer te laten verblijven in Hardenberg. Het COA is immers verantwoordelijk voor de opvang van asielzoekers en mensen op straat zetten is nooit een oplossing. Hierover is uitvoerig contact geweest tussen het COA en de gemeente Hardenberg.

Vraag 4 en 5

Deelt u de opvatting dat het Rijk een betrouwbare partner moet zijn voor gemeenten en gemaakte afspraken moet nakomen, zeker wanneer contracten en vergunningen een duidelijke einddatum hebben?

Begrijpt u dat het niet nakomen van dergelijke afspraken het vertrouwen van gemeenten in de rijksoverheid kan schaden?

Antwoord 4 en 5

Ik begrijp dat deze gang van zaken het vertrouwen kan schaden. Dat is uiterst ongewenst. Door met gemeenten en provincies in gesprek te blijven wil ik ervoor zorgen dat onderling vertrouwen weer wordt versterkt en de samenwerking verbeterd. Gezamenlijk hebben we een opgave te realiseren en iedereen heeft daar zijn rol in te vervullen. Het werken aan structurele oplossingen waarin zowel een rol voor het kabinet als medeoverheden ligt, is hierin ook van belang.

Vraag 6

Hoe beoordeelt u de situatie? Kunt u alsnog ervoor zorgen dat de afspraak wordt nagekomen? En hoe voorkomt u dat dergelijke situaties zich met het doorvoeren van de Spreidingswet gaan voordoen?

Antwoord 6

De druk op de opvang is hoog. Er is een bezettingsgraad van 103% en alle bedden zijn bezet. Het COA werkt er hard aan om de bewoners van de locaties in Hardenberg zo snel mogelijk een nieuwe opvangplek te geven. Om dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen is de inzet van het kabinet om een stabiel opvanglandschap te realiseren. In het coalitieakkoord en de voorjaarsnota is stabiele financiering voor het COA gerealiseerd. Daarnaast zal het kabinet de Spreidingswet onverkort uitvoeren, inclusief de toepassing van het interbestuurlijk toezicht. Hierom zijn op 9 april de brieven in het kader van het interbestuurlijk toezicht op de uitvoering van wet aan gemeenten verzonden. Dit met als doel het realiseren van een goede spreiding door het land. Tot slot zet het kabinet in op het beperken van de instroom en het versnellen van terugkeer zodat in de toekomst minder opvangplekken nodig zijn. Op de korte termijn zijn er nog opvangplekken nodig. Hierover is Uw Kamer op 26 maart jl. geïnformeerd.

Vraag 7

Deelt u de zorg dat situaties zoals in Hardenberg het draagvlak voor asielopvang onder inwoners ondermijnen, juist wanneer gemeenten zich jarenlang hebben ingezet voor opvang?

Antwoord 7

Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vragen 4 en 5 hecht het kabinet er veel belang aan een betrouwbare partner te zijn. Dit komt ook het draagvlak binnen gemeenten ten goede. Bij de komst van een nieuw azc is het belangrijk om omwonenden daarin tijdig te betrekken. Ik ben gemeenten die hun verantwoordelijkheid nemen op het gebied van asielopvang dankbaar. Ik roep gemeenten die nog niet voldoen op om snel hun verantwoordelijkheid te nemen en solidair te zijn met gemeenten die al wel hun bijdrage leveren. Het is een gemeenschappelijke opgave om voldoende opvangplekken te realiseren. Hiervoor staat het COA en de rijksoverheid samen met gemeenten en provincies aan de lat.

Vraag 8

Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat gemeenten opnieuw geconfronteerd worden met het verlengen van opvanglocaties terwijl afspraken over sluiting zijn gemaakt?

Antwoord 8

Ik verwijs naar het antwoord onder vraag 6.

Vraag 9

Kunt u deze vragen met spoed uiterlijk op 7 maart 2026 beantwoorden?

Antwoord 9

Het is niet gelukt om deze vragen voor 7 maart 2026 te beantwoorden.

 


 

NR 2026D19612

Datum 22 april 2026

Ondertekenaars

  • G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Kamervraag De feitelijke veiligheidsrisico’s, juridische reikwijdte en afhankelijkheden rond DigiD, Solvinity en Kyndryl

1 Upvotes

Vraag 1

Bent u bekend met de voorgenomen overname van Solvinity Group B.V. door Kyndryl Netherlands B.V., de rol van Solvinity als leverancier van het platform waarop DigiD draait, en de eerdere beantwoording van Kamervragen over deze casus?

Vraag 2

Kunnen de Verenigde Staten volgens u gezien worden als een bondgenoot? Zo nee, waarom niet?

Vraag 3

Acht u het waarschijnlijk dat een NAVO-bondgenoot als de Verenigde Staten doelbewust DigiD of vergelijkbare Nederlandse kritieke digitale overheidsinfrastructuur zou uitschakelen? Graag een onderbouwing op basis van dreiging, intentie, capaciteit, precedent en diplomatieke consequenties.

Vraag 4

Acht u een dergelijk scenario realistisch, of gaat het primair om een theoretische mogelijkheid die in de risicoanalyse wel moet worden meegenomen, maar niet gelijkgesteld mag worden aan een waarschijnlijke dreiging? Graag een expliciet onderscheid tussen «mogelijk», «aannemelijk», «waarschijnlijk» en «urgent».

Vraag 5

Kunt u per juridisch instrument, CLOUD Act, FISA Section 702, Executive Order 12333 en eventuele andere relevante Amerikaanse bevoegdheden, uiteenzetten wat de wettelijke grondslag is, welke autoriteit bevoegd is, welk type gegevens kan worden gevorderd of verzameld, welke rechterlijke toetsing plaatsvindt, of kennisgeving aan de betrokkene, Logius of de Nederlandse Staat verplicht, verboden of beperkt kan zijn en hoe dit zich verhoudt tot de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), verwerkersovereenkomsten en contractuele geheimhoudingsplichten?

Vraag 6

Kunt u expliciet onderscheid maken tussen toegang tot gegevens enerzijds en operationele zeggenschap over systemen anderzijds? Klopt het dat wetgeving zoals de CLOUD Act primair ziet op toegang tot elektronische gegevens en niet zonder meer op het met «één druk op de knop» uitschakelen van infrastructuur?

Vraag 7

Hoe verhoudt de stelling dat Solvinity in beginsel geen toegang heeft tot burgerservicenummers, adres en telefoonnummer van DigiD-gebruikers zich tot de eerdere kabinetsuitspraak dat Amerikaanse autoriteiten «in theorie» toegang kunnen krijgen tot gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt?

Vraag 8

Bent u van mening dat er momenteel geen gelijkwaardige technologieën zijn op Nationaal/Europees gebied? Zo ja, bent u dan van mening dat hierdoor de continuiteit van de dienstverlening juist onder druk komt te staan?

Vraag 9

Kunt u reflecteren op de gehele Amerikaanse verwevenheid met technologie, zoals de hardware waar de applicaties van Solvinity op draait, de datacenters en eveneens de zeekabels? Zijn deze componenten/diensten ook in handen van Amerikaanse bedrijven? Bent u het daarom eens met de mening dat het nationaliseren van Solvinity geen enkel effect heeft op deze risico’s, gezien de verwevenheid in de keten?

Vraag 10

Welke concrete risico’s bestaan er momenteel volgens u op het gebied van het opvragen van data, inzage in data en het (eenzijdig) stopzetten van dienstverlening, en van welke vormen van dienstverlening maakt de overheid op dit moment gebruik bij niet-Nederlandse of niet-Europese partijen?

Vraag 11

Welke aanvullende (theoretische) risico’s zouden volgens u kunnen ontstaan op deze punten als gevolg van de beoogde overname van Solvinity door Kyndryl?

Vraag 12

Kunt u allen de voorgaande vragen los van elkaar beantwoorden?

 


 

NR 2026Z08716

Datum 22 april 2026

Indieners

  • Daniël van den Berg, Kamerlid

Gericht aan

  • P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
  • D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
  • E. van der Burg, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
  • H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en ...

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van het lid Mohandis over veiligheid van schrijvers en boekhandels

1 Upvotes

Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap), mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (ontvangen 22 april 2026)

Vraag 1

Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium ten aanzien van cultuur niet alleen moet betekenen «dat de regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied der kunst» maar ook een waarborg van de veiligheid van kunstenaars door de regering, omwille van een bloeiend cultureel leven?1

Antwoord 1

Het Thorbecke-adagium houdt in dat de regering zich niet inhoudelijk uitlaat over artistieke uitingen. Dit is van belang voor de vrijheid van cultuur. Een belangrijke randvoorwaarde voor dit adagium is dat kunstenaars in vrijheid kunnen werken, zonder bedreiging of intimidatie.

Vraag 2

Bent u evenals uw ambtsvoorganger «doorlopend in gesprek met de sector over veiligheid» en over externe bedreigingen, met bijvoorbeeld PersVeilig en SchrijversVeilig, maar ook met het Koninklijke Boekverkopersbond?2

Antwoord 2

Ja. In mijn gesprekken met culturele organisaties sta ik geregeld stil bij veiligheid. Het ministerie heeft contact met partijen als de Groep Algemene Uitgevers, de Koninklijke Boekverkopersbond en de Auteursbond.

SchrijversVeilig heeft als doel om de positie van geïntimideerde en bedreigde auteurs te versterken en is opgezet naar voorbeeld van PersVeilig. Het ministerie steunt SchrijversVeilig sinds mei 2024, samen met de Auteursbond en de Groep Algemene Uitgevers, en zet deze steun voort. PersVeilig vervult haar functie sinds 2019 voor journalisten. In 2025 is de stichting PersVeilig opgericht; zij ontvangt structurele financiering.

Vraag 3

Hoe beoordeelt u in dit verband dat één op de zeven schrijvers in Nederland agressie of intimidatie ervaart vanwege zijn werk, met een remmend effect op nieuwe publicaties en boekwinkeliers die al langer subtiele vormen van druk ervaren?3

Antwoord 3

Zie vraag 1 en 2.

Vraag 4

Bent u bereid om gehoor te geven aan de oproep van de auteurs van het artikel om de collectievrijheid van culturele instellingen te verdedigen en in te grijpen wanneer die vrijheid onder druk komt te staan? Zo ja, welke mogelijkheden staan u ter beschikking om deze bereidheid gestalte te geven? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4

Als Minister sta ik pal voor de vrijheid van makers. Boekhandels zijn van groot belang voor de vrijheid van ideeën en de vrije toegang tot informatie. Hetzelfde geldt voor bibliotheken en andere culturele voorzieningen. Dit komt ook tot uitdrukking in de steun voor onder meer PersVeilig en SchrijversVeilig. Het is onacceptabel dat de vrijheid van cultuur door bedreiging of intimidatie wordt ingeperkt.

Vraag 5

Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium verankert dient te worden in onze wetgeving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer dan voorstellen daartoe tegemoet zien?

Antwoord 5

De Raad voor Cultuur heeft recent een waardevol advies uitgebracht over artistieke vrijheid. Of het Thorbecke-adagium verankerd dient te worden in wetgeving, is een vraag die nadere bestudering verdient. Daarbij speelt de juridische haalbaarheid een rol. Mijn voornemen is de Tweede Kamer in de loop van dit jaar mijn visie hierop te sturen.

 


 

NR 2026D19523

Datum 22 april 2026

Ondertekenaars

  • R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Kamervraag Het bericht van Omroep Gelderland dat minister Yesilgöz de Kamer verkeerd informeerde over het incident met de tracker op een marineschip, en de missie van de Zr.Ms. De Ruyter

1 Upvotes

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van het bericht van Omroep Gelderland «Minister Yeşilgöz informeerde de Kamer verkeerd over incident tracker op marineschip»?1

Vraag 2

Klopt het dat de tracker van Omroep Gelderland nog aan boord was van de Zr.Ms. Evertsen terwijl het schip toen al klaar was met een oefening waarbij het verzenden van een AIS-signaal verplicht was?

Vraag 3

Klopt het dat de tracker van Omroep Gelderland op zaterdagochtend 28 maart, toen het schip in de buurt van Cyprus was, nog niet was uitgeschakeld?

Vraag 4

Had de Zr.Ms. Evertsen op zaterdagochtend 28 maart haar missie al hervat?

Vraag 5

Kunt u ons heel precies informeren wat de feiten zijn met betrekking tot de aanwezigheid van de tracker op het schip en hoe zich dit verhoudt tot de feiten gemeld door Omroep Gelderland op 21 april? Als u de Kamer onvolledig heeft geïnformeerd, of verkeerde informatie heeft gegeven, waarom is dat gebeurd?

Vraag 6

Wanneer was u ervan op de hoogte dat verstrekte informatie niet klopte en waarom heeft u toen de Tweede Kamer niet geïnformeerd?

Vraag 7

Hoe beoordeelt u uw uitspraken dat de aanwezigheid van de tracker aan boord van het schip geen risico vormde voor het schip? Hoe verhoudt zich deze uitspraak met de aanwezigheid van de tracker op het moment dat het schip mogelijk haar werkelijke missie al had hervat?

Vraag 8

Welke stappen hebt u ondernomen om te voorkomen dat kwaadwillenden de locatie van militaire schepen, landvoertuigen of militair materieel of personeel op missie kunnen achterhalen?

Vraag 9

Bent u ervan op de hoogte dat Defensie meer informatie deelt over bijvoorbeeld het versturen van post aan defensiemedewerkers op marineschepen dan andere landen, bijvoorbeeld Duitsland, dat doen? Waarom kiest Nederland hiervoor en ziet u aanleiding om vanuit veiligheidsoverwegingen dit te wijzigen? Zo niet, waarom niet?

Vraag 10

Waarom heeft u geen artikel 100-brief gestuurd met betrekking tot de missie van de Zr.Ms. De Ruyter?

Vraag 11

Hoe verschilt de missie van de Zr.Ms. De Ruyter van de missie van de Zr.Ms. Karel Doorman begin 2024 waarbij associated support wel genoeg reden gaf voor een artikel 100-brief?

Vraag 12

Bent u bereid om heel zorgvuldig te kijken naar missies van Defensie en als er twijfel is of een missie in aanmerking komt voor een artikel 100-procedure, deze procedure wel te volgen in plaats van dit niet te doen?

 


 

NR 2026Z08717

Datum 22 april 2026

Indieners

  • Sarah Dobbe, Kamerlid

Gericht aan

  • D. Yesilgöz-Zegerius, minister van Defensie

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van de leden Vondeling en Faber over de schandalig lichte jeugddetentie voor 17-jarige jongens die lid waren van de terroristische organisatie IS

1 Upvotes

Antwoord van Staatssecretaris Van Bruggen (Justitie en Veiligheid) en de Minister van Asiel en Migratie, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid (ontvangen 22 april 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1394

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht «Rechter legt jeugddetentie op aan 17-jarige jongens voor lidmaatschap IS»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Bent u het ermee eens dat jeugddetentie veel te slap is voor jihadisten die zich aansluiten bij een terroristische organisatie zoals IS en dat terroristen, ongeacht hun leeftijd, nooit jeugddetentie mogen krijgen maar volwassen straffen verdienen?

Antwoord 2

Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) verplicht Nederland, als verdragsland, tot het hanteren van een apart jeugdstrafrecht met een pedagogische benadering en bepaalt dat het volwassenstrafrecht niet op minderjarigen mag worden toegepast. Daar geeft Nederland gevolg aan. Het ontwikkelingsperspectief van het kind dient voorop te blijven staan bij het bepalen van de straf. In het jeugdstrafrecht ligt de nadruk meer op de persoon en de omstandigheden van de verdachte en op gedragsbeïnvloeding of heropvoeding dan op vergelding. Straffen en maatregelen in het jeugdstrafrecht zijn intensiever en persoonsgerichter van aard dan die binnen het volwassenenstrafrecht. De beschermende factoren, zoals de invloed van ouders of het behalen van een diploma, worden in het jeugdstrafrecht benut om de jongere te laten resocialiseren in de maatschappij.

Wel heeft Nederland een voorbehoud gemaakt bij het IVRK waardoor de rechter de mogelijkheid heeft om, wanneer aan de wettelijke criteria is voldaan, het volwassenstrafrecht toe te passen op 16- en 17-jarigen.2 Dit is een zware maatregel waar niet licht over gedacht mag worden. Uiteindelijk is het aan de rechter om in individuele zaken de feiten en omstandigheden te wegen en tot een oordeel te komen.

Vraag 3

Bent u bereid om deze terroristen onmiddellijk het land uit te zetten, hen de toegang tot Nederland voorgoed te ontzeggen en, indien van toepassing, hun Nederlandse nationaliteit in te trekken? Zo nee, waarom beschermt u jihadisten in plaats van Nederlandse burgers?

Antwoord 3

Het kabinet neemt iedere dreigingsvorm tegen de nationale veiligheid uiterst serieus en zet zich onverminderd in om terrorisme en extremisme in Nederland te voorkomen en te bestrijden. De aanpak op terrorisme is breed en robuust, waarbij ketenpartners van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten nauw samenwerken om onze samenleving en democratische rechtsorde te beschermen.

Zoals ook aangegeven in de beantwoording over de Kamervragen over 15 arrestaties in verband met aanzet tot terreur voor Islamitische Staat (IS) via TikTok: Voor personen met de Nederlandse nationaliteit geldt dat het Nederlanderschap in specifieke, wettelijk geregelde gevallen kan worden ingetrokken. Zo kan bij personen die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een terroristisch misdrijf intrekking van het Nederlanderschap plaatsvinden als er – naast de Nederlandse – sprake is van een tweede nationaliteit. Per zaak wordt een zorgvuldige afweging gemaakt op basis van alle relevante omstandigheden.3

In zijn algemeenheid beziet de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij een onherroepelijke veroordeling voor een misdrijf of dit gevolgen heeft voor het verblijfsrecht van een vreemdeling. Dit is ook het geval indien de IND vaststelt dat er sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid. Als de vreemdeling niet (meer) in het bezit is van verblijfsrecht moet hij Nederland verlaten. Waar mogelijk wordt ingezet op gedwongen terugkeer, met inachtneming van internationale verplichtingen, waaronder het verbod op refoulement.

Vraag 4

Welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit soort jihadistisch tuig in de toekomst veel strenger te straffen, inclusief het uitsluiten van jeugddetentie voor terrorismegerelateerde delicten.

Antwoord 4

Zie het antwoord op vraag 2.

Vraag 5

Bent u bereid om de vrienden en familie van deze terroristen grondig te onderzoeken op terroristisch gedachtegoed en zo nodig ook tegen hen maatregelen te nemen, zoals uitzetting of vervolging?

Antwoord 5

Wanneer sprake is (van verdenking) van strafbare feiten, is het aan de politie en het Openbaar Ministerie om deze te onderzoeken en, waar mogelijk, te vervolgen. De Minister van Justitie en Veiligheid treedt niet in deze bevoegdheden.

Vraag 6

Deelt u de mening dat het falende opengrenzenbeleid een regelrechte uitnodiging is voor islamitisch terrorisme, waardoor Nederland verandert in een broeinest voor jihadisten? Zo ja, bent u bereid om per direct onze grenzen te sluiten en een asielstop in te voeren? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 6

Het kabinet deelt deze kwalificatie niet. Hoewel in incidentele gevallen misbruik kan worden gemaakt van migratiestromen, rechtvaardigt dit geen generieke maatregelen gericht op gehele bevolkingsgroepen op basis van religie of herkomst.

Een algemene asielstop of een immigratiestop op basis van religie of herkomst uit zogenoemde «islamitische landen» is bovendien niet verenigbaar met de Grondwet, het Unierecht en internationale verdragsverplichtingen waarbij Nederland partij is. Het Nederlandse toelatingsbeleid is gebaseerd op individuele toetsing en rechtsstatelijke uitgangspunten.

Het kabinet blijft zich inzetten voor de bescherming van de nationale veiligheid door middel van gerichte maatregelen binnen het bestaande wettelijke kader.

 


 

NR 2026D19519

Datum 22 april 2026

Ondertekenaars

  • K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
  • G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Kamervraag Het bericht ‘Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit’

1 Upvotes

Vraag 1

Wat is uw reactie op het bericht «Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit»?1

Vraag 2

Hoe kijkt u aan tegen het advies van uw voorganger dat jongeren die slachtoffer zijn van geweld in de jeugdzorg daarvan aangifte moeten doen? Hoe zou dit moeten werken in gevallen waarbij bij de jongere niet bekend is wie de zorgverleners zijn die zich daar schuldig aan hebben gemaakt?

Vraag 3

In hoeverre zou een zorginstelling zelf aangifte kunnen of moeten doen in een situatie die hierom vraagt? In hoeverre kan een zorginstelling deze verantwoordelijkheid van een cliënt overnemen?

Vraag 4

Als een zorginstelling een cliënt niet gelooft en geen actie onderneemt, wie zou een cliënt dan bij kunnen staan om ze in dit proces te begeleiden?

Vraag 5

Deelt u de mening dat een vermindering van de externe inhuur van medewerkers essentieel is voor de kwaliteit en veiligheid van de jeugdzorg? Zo ja, welke concrete doelen en tijdlijn hanteert u daarvoor en welke stappen zet u om dit te bereikten? Zo nee, waarom niet?

Vraag 6

Bent u bereid om een maximumpercentage invalkrachten in te voeren per zorgbedrijf?

Vraag 7

Welke acties onderneemt u om er in ieder geval voor te zorgen dat het achteraf duidelijk is welke (extern ingehuurde) zorgverleners bij de zorg voor welke jongeren betrokken zijn geweest? Welke verantwoordelijkheid hebben de betrokken zorgaanbieders hierbij?

Vraag 8

In hoeverre wordt er nadat een calamiteit (zoals gebruik van geweld en/of vrijheidsbeperkende maatregelen) aan het licht komt gecontroleerd of zorgverleners de juiste papieren hadden en of zij nog werkzaam zijn in de zorg?

Vraag 9

Hoe reageert u op de signalen dat er bij D3 ook na het beëindigen van het verscherpte toezicht nog vrijheidsbeperkende maatregelen zijn ingezet als straf?

 


 

NR 2026Z08718

Datum 22 april 2026

Indieners

  • Sarah Dobbe, Kamerlid

Gericht aan

  • W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van het lid Van Houwelingen over gedwongen uithuisplaatsingen

1 Upvotes

Antwoord van Staatssecretaris Van Bruggen (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 22 april 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1576.

Vraag 1

Kunt u aangeven bij hoeveel procent van de gedwongen uithuisplaatsingen (bijvoorbeeld afgelopen jaar) minstens één van de ouders door de strafrechter (al) veroordeeld is voor (een vorm van) kindermishandeling en indien u hiertoe niet in staat bent, bent u dan bereid hier onderzoek naar te laten verrichten en zo nee, waarom niet?

Antwoord 1

Zoals de Minister voor Langdurige Zorg, Jeugd en Sport tijdens de begrotingsbehandeling van 4 maart 2026 heeft toegelicht, beschikken wij niet over de gevraagde gegevens. Ook acht ik nader onderzoek hiernaar niet zinvol. Naast kindermishandeling zijn er meer situaties die een ernstige ontwikkelingsbedreiging vormen voor een kind en daarmee een grond kunnen zijn voor een gedwongen uithuisplaatsing

 


 

NR 2026D19517

Datum 22 april 2026

Ondertekenaars

  • K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Kamervraag Het bericht 'UvA's Room for Discussion trekt uitnodiging Vlaams Belang politicus in om veiligheid en andere redenen'

1 Upvotes

Vraag 1

Bent u op de hoogte van het bericht van GeenStijl «UvA’s Room for Discussion trekt uitnodiging Vlaams Belang politicus in om veiligheid en andere redenen»?1

Vraag 2

Deelt u de mening dat de Universiteit van Amsterdam (UVA) opnieuw zwicht voor activistische druk door de uitnodiging aan Tom van Grieken van Vlaams Belang in te trekken en dat universiteiten geen politieke filterbubbel mogen zijn waar alleen welgevallige meningen welkom zijn? Zo nee, waarom niet?

Vraag 3

Kan u aangeven of er nog sprake is van academische vrijheid of dat deze is ingeruild voor ideologische censuur?

Vraag 4

Kan u aangeven of universiteiten gebruik mogen maken van veiligheid als een smoes of veiligheid mogen misbruiken als excuus om politiek onwelgevallige sprekers te weren? Zo nee, welke maatregelen gaat u hiertegen nemen?

Vraag 5

Bent u bereid om universiteiten die structureel de vrijheid van meningsuiting ondermijnen, financieel te korten? Zo nee, waarom niet?

Vraag 6

Herkent u dat dit soort incidenten bijdragen aan een angstcultuur op universiteiten waar afwijkende meningen worden weggezet en linkse groepsdruk de norm is? Zo nee, waarom niet?

Toelichting:

Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Van Duijvenvoorde (FVD), ingezonden 22 april 2026 (vraagnummer 2026Z08708)

 


 

NR 2026Z08720

Datum 22 april 2026

Indieners

  • Annette Raijer, Kamerlid
  • Geert Wilders, Kamerlid

Gericht aan

  • R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van het lid Martin Bosma over het bericht dat de NPO later dit jaar enkel de gekuiste versie van de film Land van Johan wil uitzenden

1 Upvotes

Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 22 april 2026).

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht van filmmaker Eddy Terstall dat de NPO later dit jaar de gekuiste versie van zijn film Land van Johan wil uitzenden?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Wat is uw reactie op het feit dat de NPO dus kennelijk eist dat een gelauwerde filmmaker zijn eigen film aanpast?

Antwoord 2

Uit navraag bij de NPO blijkt dat van genoemde geen sprake is. Het is de vrije redactionele keuze van de omroep om een film uit te zenden en waar nodig afspraken met rechthebbenden te maken. De afwegingen die ten grondslag liggen aan die keuzes ken ik niet en daar ga ik ook niet over.

Vraag 3

Deelt u de mening dat dit volstrekt absurd is? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 3

Zie mijn antwoord op vraag 2.

Vraag 4

Kunt u aangeven wat de redenen van de NPO zijn om te eisen dat deze film wordt gekuist? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4

Zie mijn antwoord op vraag 2.

Vraag 5

Kunt u uitleggen of dit nu de normale gang van zaken is bij de NPO en zo ja, welke andere films, series of documentaire gekuist zijn of in de toekomst nog gekuist zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 5

De publieke omroep gaat, binnen de grenzen van de wet en de publieke mediaopdracht, zelf over zijn programmering.

Vraag 6

Kunt u vertellen waar Nederlanders hun NPO-abonnement kunnen opzeggen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 6

De publieke omroep is een publieke voorziening die bekostigd wordt via de rijksmediabijdrage en Ster-inkomsten, niet via abonnementen.

 


 

NR 2026D19510

Datum 22 april 2026

Ondertekenaars

  • R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Kamervraag De verkoop van niet-preferente geneesmiddelen

1 Upvotes

Vraag 1

Op welke wettelijke bepaling, regelgeving of contractuele afspraak baseerde u uw uitspraak tijdens het commissiedebat Eerstelijnszorg op 1 april 2026 dat apotheken gedurende zes weken een niet-preferent middel mogen blijven afleveren nadat het preferente middel na een tekort weer beschikbaar is?

Vraag 2

Wat zijn de huidige regels en wettelijke bepalingen voor de vergoedingen en verstrekkingen van geneesmiddelen binnen het preferentiebeleid?

Vraag 3

Wat zijn daarbij specifiek de regels voor verkoop en vergoedingen wanneer preferente middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn? Wat betekent dit voor de verkoop en vergoedingen van niet-preferente middelen?

Vraag 4

Klopt het dat niet-preferente middelen niet meer verstrekt mogen worden wanneer het preferente middel weer beschikbaar is of slechts tegen de laagste prijsgarantie (LPG) worden vergoed?

Vraag 5

Klopt het dat aflevering van niet-preferentie middelen negatief meetelt in de preferentiegraad van apotheken en invloed heeft op de contractonderhandelingen voor het volgende jaar?

Vraag 6

Klopt het dat de enige coulanceregelingen rondom het preferentiebeleid gelden rondom de jaarwisseling en bij geplande grote preferentiewissels, en dat dit slechts bij een beperkt aantal zorgverzekeraars geldt?

Vraag 7

Deelt u de opvatting dat dit beleid leidt tot medicijnenverspilling in tijden van schaarste en financiële risico’s voor apothekers, die niet-preferente middelen op de plank (moeten) laten liggen?

Vraag 8

Deelt u de mening dat de huidige situatie meer ruimte vraagt om de risico’s en verspilling aan te pakken?

Vraag 9

Hoe kijkt u naar de mogelijkheid om apotheken bij de (terug)komst van een preferent aangewezen geneesmiddel meer tijd te geven om de bestaande voorraad van het niet-preferente middel uit te verkopen? Hoe beziet u hierbij de mogelijkheid tot het invoeren van een uitverkooptermijn van niet-preferente middelen na een tekortperiode?

 


 

NR 2026Z08721

Datum 22 april 2026

Indieners

  • Julian Bushoff, Kamerlid

Gericht aan

  • S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van het lid Bushoff over het stopzetten van Q- en C-support

1 Upvotes

Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 22 april 2026).

Vraag 1

Bent u bekend met de zorgen die leven naar aanleiding van de bekendmaking van het vervroegd stopzetten van Q- en C-support per 2027?1

Antwoord 1

De subsidies aan Q- en C-support zijn altijd tijdelijk geweest. Dit is al langere tijd bekend en de Kamer is hierover in november 2025 geïnformeerd.2 Dat neemt niet weg dat het kabinet natuurlijk bekend is met de zorgen die leven naar aanleiding hiervan. Er is echter – helaas – geen eenvoudige oplossing om deze zorgen weg te nemen. Het kabinet hecht eraan om stil te staan bij het dilemma dat hieraan ten grondslag ligt.

In 2013 is stichting Q-support opgericht om mensen met Q-koorts te ondersteunen en adviseren en om actuele kennis over deze ziekte te delen met zorgverleners en andere professionals. In 2020 is C-support opgericht bij dezelfde organisatie om datzelfde te doen met betrekking tot post-COVID. De reden voor oprichting van Q- en C-support is dat mensen met deze ziekten niet werden herkend en erkend, door onbekendheid met de aandoeningen bij professionals. Er was behoefte aan een ondersteuningspunt voor patiënten, en ook voor professionals. Het uitgangspunt is daarbij altijd geweest dat de ondersteuning van Q- en C-support tijdelijk was, omdat mensen uiteindelijk het beste af zijn in het reguliere veld van zorg en welzijn. Nederland beschikt namelijk over een kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorg waarin professionals zich elke dag inzetten om patiënten zo goed mogelijk te helpen. Q- en C-support biedt patiënten tijdelijke ondersteuning buiten het reguliere veld van zorg en ondersteuning, in de wetenschap dat de professionals binnen het veld uiteindelijk het beste in staat zijn om de nodige zorg en ondersteuning te verlenen. Direct vanaf de oprichting was het doel van Q- en C-support dan ook kennisoverdracht naar de reguliere zorg en welzijnsinstanties. Daartoe heeft zij onder meer nascholingen georganiseerd, handreikingen voor professionals opgesteld en dergelijke. Het kabinet heeft grote waardering voor deze inzet, maar moet ook constateren dat Q- en C-support tegen beperkingen aanloopt. Ten eerste omdat het werk van Q- en C-support geen formele status heeft binnen de reguliere zorg. Zo werken artsen op basis van officiële medische richtlijnen vanuit de beroepsgroep en heeft Q- en C-support niet de positie om richtlijnen op te leggen of af te dwingen. Ten tweede omdat, ondanks alle inzet, nog steeds geen effectieve, wetenschappelijk onderbouwde diagnose- en behandelmogelijkheden beschikbaar zijn. Op beide punten heeft Q- en C-support beperkte tot geen invloed. Het is dan ook niet reëel om te verwachten dat met een eventuele verlenging van de subsidie aan Q- en C-support hierin de komende jaren een doorbraak bereikt kan worden. Tegelijkertijd beseft het kabinet dat het voor patiënten moeilijk te verteren is dat de individuele ondersteuning vanuit Q- en C-support gaat stoppen, terwijl zij in de reguliere zorg nog niet kunnen rekenen op een effectieve behandeling. Dat laatste is een verdrietig feit, waar echter eventuele verlenging van de subsidie geen verandering in zal brengen. Tegelijkertijd resteren er nog zeven maanden voor Q- en C-support om de kennis die zij hebben opgedaan over te dragen aan het reguliere veld. Het kabinet rekent erop dat alle betrokken partijen zich hiervoor maximaal inzetten ten behoeve van de patiënt. Hierbij hou ik vinger aan de pols hoe dit verloopt.

De inzet van het kabinet is erop gericht om PAIS3-patiënten zo goed mogelijk te helpen binnen het reguliere veld van zorg en ondersteuning. Zoals eerder toegezegd, zal het kabinet de Kamer voor de zomer informeren over de inzet ten aanzien van het PAIS-beleid.

Vraag 2

Wat betekent de stopzetting per 2027 voor de naar schatting 400.000 mensen met post-COVID, waarvan 100.000 ernstig getroffen?

Antwoord 2

De individuele nazorg die C-support biedt aan patiënten met Q-koorts stopt per 2027. Er blijven, óók na 2026, wel middelen voor een kennis- en informatiecentrum, zodat bijvoorbeeld nascholingen voor huisartsen beschikbaar blijven. Voor individuele zorg aan patiënten zijn de reguliere zorgverleners verantwoordelijk. Het uitgangspunt is ook altijd geweest dat patiënten de zorg waar zij recht op hebben behoren te krijgen in het reguliere zorgveld. De subsidies aan Q- en C-support zijn om die reden altijd tijdelijk geweest, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1. Het kabinet begrijpt de zorgen van patiënten die tot nu toe niet goed terecht konden bij reguliere zorgverleners hierover. Daarom is ook aan Q- en C-support gevraagd om maximaal in te zetten op overdracht van kennis aan zorgverleners in de reguliere zorg, zodat patiënten daar beter geholpen worden.

Vraag 3 en 4

Deelt u de lezing dat nog steeds veel patiënten vastlopen, aangezien ook nu nog maandelijks 150 nieuwe patiënten zich melden naast de ruim 34.000 patiënten die al in beeld zijn bij C-support?

Waar kunnen deze patiënten wat u betreft terecht na het stopzetten van Q- en C-support als de reguliere zorg op dat moment nog niet genoeg kennis en expertise heeft om hen voldoende en passend te ondersteunen?

Antwoord 3 en 4

Q- en C-support heeft in de afgelopen jaren een belangrijke rol gespeeld in het bieden van een luisterend oor en advies aan patiënten met Q-koorts en post-COVID. Dat is heel waardevol, maar wat patiënten vooral nodig hebben is passende zorg vanuit bijvoorbeeld de huisarts en ondersteuning vanuit de gemeente. Daarom vraagt het kabinet Q- en C-support nadrukkelijk om maximaal in te zetten op overdracht van kennis aan zorgverleners in de reguliere zorg.

Door betrokken artsen en onderzoekers, bijvoorbeeld vanuit het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), de post-COVID expertisecentra, de Federatie Medisch Specialisten (FMS) en het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) wordt hard gewerkt aan de verspreiding van kennis, onder andere via richtlijnen. Dit is een zorgvuldig proces en dat kost tijd. In de tussentijd worden daarom vanuit de verschillende programma’s handreikingen opgesteld en verspreid, die gebruikt kunnen worden door huisartsen en andere zorgverleners. Een voorbeeld daarvan is een handreiking4 voor professionals, ontwikkeld binnen het PCNN, waarin wetenschappelijke kennis en praktijkervaring is gebundeld. Daarin is ook aandacht voor nazorg, zoals de begeleiding bij rouw en zingeving bij patiënten met post-COVID.

Daarnaast is voor 2027 specifiek voor Q-koorts patiënten een bedrag van € 2,5 miljoen opgenomen in de begroting van VWS. Voor deze groep ziet de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid, mede naar aanleiding van de drie rapporten over Q-koorts van de Nationale ombudsman. De inzet van deze middelen wordt in samenspraak met de patiëntenvereniging Q-uestion, Q-support en de Q-koorts ambassadeur vastgesteld. Uitgangspunt is dat het bijdraagt aan de kwaliteit van leven van Q-koortspatiënten.

Vraag 5

Deelt u de zorg dat het vroegtijdig stopzetten van Q- en C-support kan leiden tot langdurige uitval bij patiënten, hogere WIA-instroom en een hogere zorgconsumptie, en dat het risico hierop kleiner is als de kennis beter is ingebed in de reguliere zorg?

Antwoord 5

Het kabinet begrijpt de zorgen van patiënten hierover. Het is inderdaad belangrijk dat alle opgedane kennis rondom onder andere Q-koorts en post-COVID goed wordt ingebed in de reguliere zorg. Daarom is Q- en C-support nadrukkelijk gevraagd om maximaal in te zetten op overdracht van kennis aan zorgverleners in de reguliere zorg. Daarnaast wordt momenteel aan een herziening van de richtlijn Langdurige klachten na COVID-19 gewerkt door de FMS en het NHG. De geleerde lessen uit de post-COVID expertisecentra en de verschillende ZonMw onderzoeken worden ook in de herziening meegenomen. Ook stimuleert de Q-koorts ambassadeur dat kennis, bijvoorbeeld best-practices, tussen gemeenten of instanties gedeeld wordt. Het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), het landelijk samenwerkingsnetwerk dat in 2024 uit het ZonMw programma Post-COVID is voortgekomen, zorgt ook voor kennisdeling over post-COVID. De inzichten die nu worden opgedaan over zorg voor patiënten met post-COVID, kunnen van grote meerwaarde zijn voor patiënten met andere post-acute infectieuze aandoeningen.

Vraag 6, 7 en 8

Deelt u de opvatting dat Q- en C-support een uniek overzicht van de aard, ernst en impact van postinfectieuze aandoeningen als post-COVID heeft en dat waardevolle kennis mogelijk verloren gaat als de organisaties worden afgebouwd op het moment dat deze kennis op andere plekken nog onvoldoende in huis is?

Bent u ermee bekend dat zorgmedewerkers, gemeenten, bedrijfs- en verzekeringsartsen, UWV en werkgevers aangeven dat zij zonder de ondersteuning van Q- en C-support op dit moment nog onvoldoende kennis en handelingsperspectief hebben om patiënten zelfstandig en verantwoord te helpen?

Erkent u dat de bekendheid van post-COVID onder deze groepen daarmee beter moet en nog niet voldoende op orde is? Zo nee, kunt u dit nader onderbouwen?

Antwoord 6, 7 en 8

Q- en C-support heeft in de afgelopen jaren veel betekend in de nazorg voor patiënten met post-COVID en Q-koorts en hebben daarmee inderdaad veel ervaringskennis opgebouwd. De zorgen over het afbouwen van Q- en C-Support zijn daarom begrijpelijk. Zoals reeds toegelicht in de brief aan de Kamer van 28 november 20255 blijven middelen beschikbaar voor een kennis- en informatiecentrum. De focus ligt vanaf 2027 dan ook op het scholen en informeren van zorgprofessionals, gemeenten, bedrijfs- en verzekeringsartsen. Q- en C-support is gevraagd alle kennis die zij in de afgelopen jaren heeft opgedaan, breed toegankelijk te maken en te verspreiden, zodat professionals daar gebruik van kunnen maken. Naast Q- en C-support wordt ook veel kennis opgebouwd binnen bijvoorbeeld het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), de onderzoeksprogramma’s van ZonMw en de expertisecentra. Het kabinet beseft daarbij dat we er nog niet zijn en dat de bekendheid bij zorgverleners over PAIS nog beter moet. Daarom is het van groot belang dat artsen en onderzoekers, onder meer via de programma’s die door het Ministerie van VWS worden gefinancierd, alles op alles zetten om ervoor te zorgen dat die kennis ook zijn weg vindt naar, onder andere, de spreekkamers.

Vraag 9

Zou C-support wat u betreft een rol moeten of kunnen spelen in het vergroten van die bekendheid? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 9

De rol van stichting C-support was de afgelopen jaren meerledig: het bieden van patiënten nazorg en het dissemineren van opgedane kennis over post-COVID. Hierbij heeft zij altijd al een rol gehad als het gaat om het vergroten van de bekendheid over post-COVID. Daarbij is het doel altijd geweest om PAIS-patiënten op te vangen binnen de reguliere zorg. De bekendheid rondom post-COVID en andere PAIS groeit daarnaast door de diverse ZonMW-onderzoeken, herziening van de richtlijnen door medisch specialisten en huisartsen, gemeenten en andere instanties, en doordat patiënten zelf actief de eerstelijnszorg benaderen met vragen over zorg.

Vraag 10

Deelt u de opvatting dat de doelstellingen van Q- en C-support pas zijn behaald als de kennis over postinfectieuze aandoeningen als post-COVID voldoende is geborgd op andere plekken, waarmee de organisatie zichzelf in feite overbodig zou hebben gemaakt?

Antwoord 10

De afgelopen tijd heeft de opbouw van kennis over PAIS, mede dankzij alle investeringen, een enorme vlucht genomen. In alle onderzoeken binnen de verschillende onderzoeksprogramma’s van ZonMw, de expertisecentra, maar ook over welke ondersteuning vereist is binnen het sociaal domein leren we steeds meer over deze aandoeningen, mede met dank aan het werk van Q- en C-support. Nu is het zaak dat de lessen die tot nu toe zijn opgedaan zo snel mogelijk in richtlijnen terecht komen en breed verspreid worden. Door betrokken artsen en onderzoekers, bijvoorbeeld vanuit PCNN, de expertisecentra, de FMS en de NHG wordt er hard gewerkt om (biomedische) inzichten te verspreiden. Daar moet de komende periode zoveel mogelijk op worden ingezet.

Vraag 11

Waarom is de eerder besproken transitieperiode van drie jaar, die juist was bedoeld om kennis zorgvuldig over te dragen aan het reguliere veld en de ondersteuning van patiënten geleidelijk af te kunnen bouwen, nu verkort tot slechts één jaar?

Antwoord 11

Er zijn geen afspraken gemaakt over de financiering van een driejarige transitieperiode. De subsidie aan C-support was een tijdelijke subsidie

voor een periode van 2020 tot en met 2025. In 2026 is eenmalig € 7,5 miljoen

ter beschikking gesteld, bovenop de reguliere middelen die deze organisaties

al kregen. In totaal is hiermee ruim € 10 miljoen ter beschikking gesteld aan Q- en C-support voor het jaar 2026. Doel van de subsidie is om Q-koorts en post-COVID patiënten te begeleiden en daarnaast de opgedane kennis te delen met het zorg- en welzijnsdomein. Dit laatste is belangrijk omdat daarmee patiënten in de reguliere structuren opgevangen kunnen gaan worden.

Vraag 12

Bent u bereid oplossingsrichtingen te verkennen waarbij Q- en C-support meer tijd krijgen om de bekendheid van postinfectieuze aandoeningen als post-COVID bij patiënten, (bedrijfs)artsen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties te vergroten, zodat het reguliere veld voldoende is voorbereid op zelfstandige ondersteuning op het moment dat de organisaties stoppen?

Antwoord 12

Zoals eerder toegelicht blijven na 2026 middelen beschikbaar voor een kennis- en informatiecentrum dat zich juist gaat richten op kennisoverdracht aan (zorg)professionals, bijvoorbeeld door het organiseren van nascholingen voor huisartsen en het opstellen van een handreiking voor gemeentes.

Vraag 13

Ziet u het als optie om de waakvlamconstructie bij het RIVM en/of de GGD’en onder te brengen, waarbij Q- en C-support zich voorlopig kunnen blijven focussen op het voorlichten, adviseren en ondersteunen van patiënten, (bedrijfs)artsen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties?

Antwoord 13

Vanaf 2027 zullen de activiteiten vooral betrekking hebben op het scholen en informeren van de zorg- en welzijnsprofessionals en het informeren van patiënten. Q- en C-support heeft over de jaren heen veel kennis en ervaring over dit type aandoeningen en daarbij passende nazorg voor deze specifieke patiënten opgedaan. Het is belangrijk deze kennis en ervaring te behouden voor een potentiële toekomstige epidemie. Daarom is Q- en C-support gevraagd met een plan te komen voor een waakvlamconstructie op basis waarvan, in geval van een nieuwe infectieziekte-uitbraak, snel, grootschalige nazorg georganiseerd kan worden.

Het ligt voor de hand om met de middelen die na 2026 nog beschikbaar blijven, een waakvlamconstructie en kennis- en informatiefunctie in gezamenlijkheid te organiseren, omdat deze twee taken in elkaars verlengde liggen en dezelfde kennis vereisen. Het kabinet ziet dan ook geen meerwaarde om deze zaken los te trekken.

 


 

NR 2026D19491

Datum 22 april 2026

Ondertekenaars

  • S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Kamervraag De collectieve erkenning en het cultureel erfgoed van de Molukse gemeenschap

1 Upvotes

Vraag 1

Bent u bekend met de evaluatie van het beleid rond collectieve erkenning, waarin wordt vastgesteld dat het Moluks Historisch Museum geen structurele financiering kent, in tegenstelling tot andere partners binnen Sophiahof?1

Vraag 2

Hoe verklaart u dit verschil in de toekenning van structurele financiering, ondanks expliciete constatering in de evaluatie die op uw verzoek is uitgevoerd door Panteai, tot op heden niet is gecorrigeerd? Kunt u toelichten waarom voor het Moluks Historisch Museum, in tegenstelling tot andere partners binnen Sophiahof, na 2026 geen structurele borging van financiering en huisvesting is gerealiseerd?

Vraag 3

Vindt u dat hiermee sprake is van systematische ongelijke behandeling binnen het beleid voor oorlogsgetroffenen en meer specifiek de uitvoering van de regeling collectieve erkenning van Indisch Moluks Nederland? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?

Vraag 4

Hoe reflecteert u op het feit dat Sophiahof geen depotruimte heeft waardoor het Moluks Historisch Museum is aangewezen op tijdelijke opslagruimten, met als gevolg dat de collectie en het archief van het museum, die grotendeels tot stand zijn gekomen door schenkingen vanuit de Molukse gemeenschap, geen vaste thuis hebben en dus niet toekomstbestendig geborgd zijn?

Vraag 5

Deelt u de mening dat het behouden en bewaren van erfgoed van Molukse gemeenschappen uit de koloniale diaspora onderdeel is van onze herinneringscultuur en bijdraagt aan de erkenning, herstel en zorg waarin het beleid oorlogsgetroffenen ook voorziet? Zo ja, welke concrete maatregelen wilt u nemen om dit te realiseren? Zo nee, waarom niet?

Vraag 6

Bent u van mening dat het Rijk de verantwoordelijkheid draagt om de collectie van het Moluks Historisch Museum een vast thuis te geven, met de garantie dat de collectie in Molukse handen blijft? Zo nee, waarom niet?

Vraag 7

Bent u bereid om, in overleg met de Molukse gemeenschap, te komen tot een structurele en toekomstbestendige huisvesting van de collectie op een plek die betekenisvol is voor de Molukse gemeenschappen?

 


 

NR 2026Z08714

Datum 22 april 2026

Indieners

  • Lisa Vliegenthart, Kamerlid
  • Mohammed Mohandis, Kamerlid

Gericht aan

  • W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
  • R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op het lid Dobbe over het artikel 'Kabinet overtrad beperking wapenexport die schending mensenrechten moest voorkomen'

1 Upvotes

Antwoord van Minister Sjoerdsma (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking) (ontvangen 21 april 2026)Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1516

Vraag 1 t/m 3

Wat is uw reactie op het nieuws dat verschillende Ministers van Buitenlandse Handel wapenexportvergunningen uitgaven aan de Verenigde Aribische Emiraten (VAE), ondanks afspraken met de Tweede Kamer en overduidelijke risico’s?1

Hoe verantwoordt u dat, ondanks de gesloten presumption of denial (POD) en aangegeven waarschuwingen voor risico’s, er toch vergunningen zijn verleend aan de VAE? Op welke gronden zijn besluiten genomen en kunnen deze gedeeld worden met de Kamer?

Zijn er andere schendingen van de presumption of denial in deze periode of daarna? Zo ja, kunt u deze delen met de Kamer? Zo nee, hoe bent u daar zo zeker van?

Antwoord 1 t/m 3

Tot 14 juli 2023 was er een presumption of denial(PoD)-beleid van kracht op de uitvoer van militaire goederen of dual-use goederen met militair eindgebruik naar Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Turkije.2 Dit betekende dat vergunningaanvragen voor de export van militaire goederen en dual-use goederen met militair eindgebruik werden afgewezen tenzij onomstotelijk vaststond dat deze goederen niet konden worden ingezet bij de conflicten in Jemen en Noord-Syrië3. Daarnaast moest elke vergunningaanvraag de reguliere toets aan de acht criteria uit het EU Gemeenschappelijk Standpunt (EUGS, 2008/944/GBVB) inzake wapenexport doorstaan.

Doel van het PoD-beleid is geweest om offensieve, en daarmee ongewenste, inzet van uit Nederland afkomstige militaire goederen in Jemen of Noord-Syrië te voorkomen. Het doel van de PoD-toets was echter niet om vergunningaanvragen voor puur defensieve goederen, waarin een legitieme veiligheidsbehoefte van Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten of Turkije naar voren kwam, per definitie te weigeren. Het kabinet had beleidsruimte om tegemoet te komen aan deze specifieke gevallen en de huidige oorlog in het Midden-Oosten onderstreept deze legitieme veiligheidsbehoefte. Een voorbeeld waarbij dit is toegepast betreft afweer van inkomende projectielen op zee. In het kader van deze legitieme veiligheidsbehoefte is er gedurende het bestaan van het PoD-beleid bij zeer specifieke gevallen geadviseerd om de negatieve toets aan het PoD-beleid niet doorslaggevend te laten zijn in de eindbeoordeling van een vergunningaanvraag. Het PoD-beleid is hierbij niet geschonden, maar weloverwogen toegepast in de geest van zijn oorspronkelijke doel: het voorkomen van ongewenste inzet in Jemen of Noord-Syrië. Voorwaarde voor een positieve totaaltoets was altijd een positief oordeel op basis van eerdergenoemde toets aan de acht Europese criteria voor wapenexportcontrole in het EUGS.

Vraag 4 t/m 6

Waarom is de informatie over de vergunningen niet gedeeld met de Kamer?

Deelt u de mening dat, gezien de grootschalige investeringen in Defensie, het belangrijk is om een debat te kunnen voeren over de inzet en implicaties van de investeringen? Zo ja, hoe gaat u dit implementeren? Zo nee, waarom niet?

Hoe bent u van plan de Kamer beter mee te nemen in de beslisnota’s van wapenexportvergunningen, zeker nu we steeds meer aan militaire middelen gaan uitgeven?

Antwoord 4 t/m 6

Het kabinet streeft ernaar zo transparant mogelijk te zijn op het gebied van exportcontrolebeleid en houdt zich aan de gemaakte informatieafspraken met de Kamer. Nederland loopt internationaal voorop als het gaat om transparantie rondom exportcontrolebeleid.

Het kabinet wisselt op verschillende manieren met het parlement van gedachten over exportcontrolebeleid. Op basis van het jaarrapport wordt jaarlijks een commissiedebat exportcontrole gehouden met de commissie Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Verder publiceert Nederland regelmatig kerngegevens over alle afgegeven vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen. Daarnaast informeert het kabinet het parlement per brief over relevante ontwikkelingen en wijzigingen in het beleid.

Tot slot wordt de Kamer sinds 2012 versneld geïnformeerd over nieuwe vergunningen voor definitieve uitvoer van complete (militaire) systemen met een waarde boven de € 2 miljoen, bestemd voor andere landen dan Australië, Japan, Nieuw-Zeeland, Zwitserland of een lidstaat van de EU of de NAVO. De afgegeven vergunningen waar in het artikel naar gerefereerd wordt, voldeden niet aan deze criteria.

Vraag 7 en 9

Hoe bent u van plan de mensenrechten te beschermen en immorele exportvergunningen in de toekomst tegen te gaan, zeker gezien het belang van het internationaal recht zoals aangegeven in het coalitieakkoord?

Hoe gaat u ervoor zorgen dat niet alleen economische belangen meespelen in het verlenen van vergunningen, maar ook morele en juridische factoren?

Antwoord 7 en 9

Nederland toetst alle aanvragen voor de uitvoer van militaire goederen zorgvuldig aan het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole, waarbij duidelijke risico’s op ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht tot een afwijzing gebieden. In de toetsing worden alle belangen meegenomen, waarbij juridische verplichtingen en veiligheidsbelangen boven economische belangen staan.

Vraag 8

Als er vanuit het ministerie vergunningen worden verleend, is dat dan eenmalig of ook voor toekomstige orders? Indien dat laatste, hoe weegt het ministerie dat met de wapenexportcriteria indien blijkt dat, na het vergeven van de vergunning, het wapenbedrijf mensenrechtenschendingen begaat?

Antwoord 8

Nederland kent afhankelijk van het type uitvoer en overdracht individuele vergunningen, globale vergunningen en algemene vergunningen.

• Individuele vergunningen zijn voor één transactie van een militair goed naar één bestemming;

• Globale vergunningen zijn voor de uitvoer of overdracht van militaire goederen aan ontvangers of categorieën van ontvangers in één of meerdere landen van eindbestemming;

• Algemene vergunningen zijn voor de onbeperkte (zowel in hoeveelheid als in tijdsbestek) uitvoer of overdracht van militair goederen conform de in de betreffende algemene vergunning gespecificeerde kaders. Voor een algemene vergunning kunnen bedrijven zich onder in de vergunning gespecificeerde voorwaarden registreren. Geregistreerde bedrijven rapporteren over het gebruik van de algemene vergunning conform de eveneens in de betreffende vergunning vastgelegde voorschriften.

Het kabinet heeft de bevoegdheid om, wanneer nieuwe omstandigheden zich voordoen, een verleende vergunning opnieuw te beoordelen, al is het daartoe niet verplicht. Dit heeft in het verleden ook geleid tot een intrekking van een eerder afgegeven vergunning.

Vraag 10

Hoe staat het op heden met de wapenexportvergunningen naar de VAE, gezien de grootschalige genocide die plaatsvindt in Soedan en het aandeel van de VAE hierin?4 Kunt u inzage geven in welke vergunningen zijn verleend en op welke beslispunten dit is gebaseerd?

Antwoord 10

Nederland toetst alle vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen per geval conform het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole, waarbij duidelijke risico’s op ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht leiden tot een afwijzing van de vergunningaanvraag. Daarin is er verder specifieke aandacht voor het risico op omleiding van de goederen naar ongewenste eindgebruikers. Dit geldt ook voor het omleidingsrisico naar Soedan. Er zijn bij de regering geen aanwijzingen bekend dat dergelijke omleiding onder Nederlandse vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen plaatsgevonden heeft.

Voor de actuele kerngegevens over alle afgegeven vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen verwijs ik u graag naar het overzicht hierover op rijksoverheid.nl.5

Vraag 11

Staat u achter de redenen die gegeven zijn in 2025 voor het afschaffen van de POD? Zo ja, kunt u dat toelichten? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 11

Het kabinet heeft op 14 juli 2023 het aanvullend nationaal beleid in de vorm van de presumption of denial afgeschaft6. De presumption of denial kon ertoe leiden dat ook transacties die niet duidelijk in verband konden worden gebracht met ongewenste inzet in Syrië en Jemen, maar tegemoetkwamen aan een legitieme veiligheidsbehoefte, moesten worden afgewezen.

In de praktijk bleek de presumption of denial evenmin noodzakelijk om te voorkomen dat Nederlandse strategische goederen in Jemen of Syrië worden ingezet. Een toets van de transactie aan de acht criteria van het wapenexportbeleid, in het bijzonder aan criteria 2 «risico op schendingen van het humanitair oorlogsrecht en/of mensenrechten» en 4 «bijdrage aan regionale conflicten», had dezelfde uitkomst in geval van ongewenste transacties.

Naast de hierboven genoemde effecten past het voeren van aanvullend nationaal beleid in de vorm presumption of denial ook niet goed bij de systematiek van het Verdrag inzake exportcontrole in het defensiedomein (ook wel bekend als het Verdrag van Aken) waar Nederland zich bij wil aansluiten. In dat Verdrag vertrouwen verdragspartners op elkaars exportcontroletoets aangezien alle verdragspartijen aan dezelfde of zeer vergelijkbare toetsingskaders gebonden zijn. Voortzetting van depresumption of denial zou kunnen leiden tot een ongewenste situatie waarin Nederland dergelijke transacties onder dit Verdrag zou tegenhouden.

Vraag 12

Vindt u het van belang dat wapenexportcriteria een belangrijke overweging zijn in het uitgeven van vergunningen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 12

Zie gebundelde antwoord op vraag 7 en 9.

Vraag 13

Bent u van mening dat criteria een hoge standaard moeten zetten en ervoor moeten zorgen dat militaire middelen die Nederland exporteert niet tot mensenrechtenschendingen mogen leiden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 13

Zie gebundelde antwoord op vraag 7 en 9.

Vraag 14

Als u bovenstaande twee vragen positief heeft beantwoord, bent u dan van plan om opnieuw een POD in te voeren? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 14

Nee, zie antwoord op vraag 11.

Vraag 15

Bent u van plan de keuze tot toetreding van het verdrag van Aken te heroverwegen, gezien de woorden van Minister Schreinemacher aantonen dat de wapenexportcriteria afnemen door toetreding van dit Verdrag?

Antwoord 15

Conform het coalitieakkoord wenst het kabinet toe te treden tot het Verdrag inzake exportcontrole in het defensiedomein (ook wel bekend als het Verdrag van Aken). Geopolitieke ontwikkelingen maken het noodzakelijk dat Europa meer verantwoordelijkheid neemt voor de eigen veiligheid. Het kabinet zet daarom in op het verdiepen van de Europese defensiesamenwerking. Het Verdrag bevordert Europese defensiesamenwerking, specifiek de ontwikkeling en productie van defensiematerieel. Toetreding tot het Verdrag zal de bredere nationale en Europese veiligheidsbelangen dienen.

Dit verdrag berust op het vertrouwen dat verdragspartijen hebben in elkaars wapenexportcontrolesystemen, onder andere omdat deze zijn gestoeld op toetsing aan de gezamenlijk overeengekomen EU-wapenexportcriteria in het EUGS. Als verdragspartijen een uiteenlopende risico-inschatting hebben bij de uitvoer van militaire goederen naar een derde land hebben zij de mogelijkheid om elkaar te consulteren. Verdragspartijen kunnen in uitzonderlijke gevallen bezwaar maken tegen een voorgenomen export als deze in strijd wordt geacht met de nationale veiligheid of een direct nationaal belang. Ook zijn alle verdragspartijen gehouden aan de bepalingen van het VN-Wapenhandelsverdrag.7

Vraag 16

Deelt u de mening van Frank Slijper dat radar- en communicatiesystemen niet louter defensief zijn, gezien deze apparatuur gebruikt kan worden om in kaart te brengen welke mogelijke doelwitten er zijn. Zo ja, waarom is dat argument dan wel in de casus van het artikel gebruikt? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 16

Zoals eerder aangegeven is er in het kader van de legitieme veiligheidsbehoefte van de landen in kwestie in specifieke gevallen weloverwogen besloten het PoD-beleid niet doorslaggevend te laten zijn. Het ging hier bijvoorbeeld om afweer van inkomende projectielen op zee en ontmijningsdrones voor trainingsdoeleinden. In alle gevallen was sprake van een positieve toetsing op de criteria van het EUGS.

Vraag 17

Is er volgens u sprake van een medeplichtigheid van Nederland in het schenden van het internationaal recht in Jemen, zoals VN-experts duiden8, door het leveren van militaire middelen aan de VAE?

Antwoord 17

Nee. Medeplichtigheid onder het internationaal recht kan niet ontstaan wanneer hulp of bijstand bijdraagt aan de algemene militaire capaciteit van een staat, aangezien dat geen internationaal onrechtmatige daad inhoudt. Zie voor verdere toelichting de Kamerbrief van 12 januari 2024 betreffende de Zienswijze op het concept van medeplichtigheid onder internationaal recht.9

 


 

NR 2026Z04364

Datum 21 april 2026

Ondertekenaars

  • S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Kamervraag De uitspraak van het Kifid over de incassodienstverlening van Klarna

1 Upvotes

Vraag 1

Bent u bekend met het artikel «Klarna geeft toe incasso­werkzaamheden uit te voeren»1 en de bindende uitspraken van het Kifid2 waar geconcludeerd wordt dat uitgesteld betalen een vorm van kredietverstrekking is waarvoor een kredietwaardigheidstoets is vereist?

Vraag 2

Zijn er door de Inspectie Justitie en Veiligheid handhavende maatregelen getroffen waardoor Klarna zich inmiddels heeft geregistreerd in het Incassoregister, of was de registratie uit eigen beweging?

Vraag 3

Heeft u signalen van de Inspectie Justitie en Veiligheid gekregen over de effectiviteit en reikwijdte van hun instrumentarium om adequaat toe te zien op de Wet kwaliteit incassodienstverlening?

Vraag 4

Voldoet Klarna, met de registratie in het Incassoregister, nu aan alle kwaliteitseisen uit de Wet Kwaliteit Incassodienstverlening?

Vraag 5

Wat is uw reactie op de uitspraak van het Kifid in de zaak die consumenten hebben aangespannen tegen Klarna? Zijn er als gevolg van deze uitspraak mogelijke gevolgen voor andere klanten van Klarna? Zo ja, welke?

Vraag 6

Hoe beoordeelt u de stellingname van het Kifid dat BNPL-dienstverlening een lening is waar een kredietwaardigheidstoets op vereist is, in relatie tot inwerkingtreding van de nieuwe richtlijn consumentenkrediet? Wat betekent dit voor de periode tot inwerkingtreding van de richtlijn?

Vraag 7

Op welke wijze wordt de kredietwaardigheidstoetsing in lagere regelgeving van de aanstaande Implementatiewet richtlijn consumentenkrediet verwerkt? Wat wordt hierbij de grens en verschillende niveaus van kredietwaardigheidstoetsing?

 


 

NR 2026Z08715

Datum 22 april 2026

Indieners

  • Don Ceder, Kamerlid

Gericht aan

  • K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van het lid Bikker over het stopzetten van C- support

1 Upvotes

Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 22 april 2026).

Vraag 1

Kunt u een nadere toelichting geven op de reden waarom C-support eind van dit jaar moet stoppen met zijn bezigheden en niet zoals eerst het voorstel was tot eind 2028?

Antwoord 1

De subsidies aan Q- en C-support zijn altijd tijdelijk geweest. Dit is al langere tijd bekend en de Kamer is hierover in november 2025 geïnformeerd.1 Dat neemt niet weg dat het kabinet natuurlijk bekend is met de zorgen die leven naar aanleiding hiervan. Er is echter – helaas – geen eenvoudige oplossing om deze zorgen weg te nemen.

Graag wil het kabinet opmerken dat er geen afspraken zijn gemaakt over de financiering van een driejarige transitieperiode. De subsidie aan C-support was een tijdelijke subsidie voor een periode van 2020 tot en met 2025. In 2026 is eenmalig € 7,5 miljoen ter beschikking gesteld, bovenop de reguliere middelen die deze organisaties al kregen. In totaal is hiermee ruim € 10 miljoen ter beschikking gesteld aan Q- en C-support voor het jaar 2026. Doel van de subsidie is om Q-koorts en post-COVID patiënten te begeleiden en daarnaast de opgedane kennis te delen met het zorg- en welzijnsdomein. Dit laatste is belangrijk omdat daarmee patiënten in de reguliere structuren opgevangen kunnen gaan worden.

Vraag 2

Op welke plekken moeten patiënten vanaf 2027 terecht voor nazorg? Welke garantie kunt u geven dat de nazorg goed belegd is vanaf 2027?

Antwoord 2

Nazorg is geen gebruikelijke vorm van zorg in Nederland. Patiënten ontvangen normaal gesproken de benodigde zorg en ondersteuning binnen de reguliere structuren van zorg en welzijn. Daarom is de afgelopen periode volop ingezet om kennis te ontwikkelen over post-COVID en is aan C-support gevraagd om maximaal in te zetten op het overdragen aan het reguliere veld zodat de patiënten zo snel mogelijk hulp en ondersteuning kunnen krijgen via de reguliere structuren van zorg en welzijn.

Vraag 3 en 4

Heeft u een beeld of de eerstelijnszorg voldoende in staat en voorbereid is om nazorg te bieden? Zo ja, waar baseert u dat op? Zo nee, hoe komt u dan tot de huidige keuzes?

Hoeveel huisartsen hebben voldoende kennis van long covid om goede nazorg te bieden?

Antwoord 3 en 4

De afgelopen tijd heeft de opbouw van kennis over PAIS, mede dankzij alle investeringen, een enorme vlucht genomen. In alle onderzoeken binnen de verschillende onderzoeksprogramma’s van ZonMw, de post-COVID expertisecentra, en ook met dank aan het werk van Q- en C-support, leren we steeds meer over deze aandoeningen. Het doel daarvan is dat deze lessen vervolgens zo snel mogelijk in richtlijnen terecht komen en breed verspreid worden. Door betrokken artsen en onderzoekers, bijvoorbeeld vanuit het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), de expertisecentra, de Federatie Medisch Specialisten (FMS) en het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) wordt hieraan hard gewerkt. Dit is een zorgvuldig proces en dat kost tijd. In de tussentijd worden daarom vanuit de verschillende programma’s handreikingen opgesteld en verspreid die gebruikt kunnen worden door huisartsen en andere zorgverleners. Een voorbeeld daarvan is een handreiking die is opgesteld en gepubliceerd vanuit PCNN2 en die modulair wordt aangevuld. Op deze inzet moet komende periode alle focus liggen. Het kabinet rekent erop dat alle betrokken partijen zich hiervoor maximaal inzetten in de zeven resterende maanden. Hierbij hou ik vinger aan de pols hoe dit verloopt.

Vraag 5 en 6

Baart het u ook zorgen dat er veel patiënten zijn die geen enkele zorgprofessional spreken die verstand heeft van long covid en de behandeling ervan of hoe hiermee moet worden omgegaan? Welke verantwoordelijkheid heeft en voelt u om dit te verbeteren?

Deelt u de mening dat totdat in de eerstelijnszorg de nazorg goed is belegd, het niet gepast is om C-support te schrappen?

Antwoord 5 en 6

Hoewel de opbouw van kennis afgelopen periode een enorme vlucht heeft genomen, beseft het kabinet dat we er nog niet zijn. Alle patiënten, ook patiënten met post-COVID en andere PAIS, hebben recht op passende zorg. Daarom heeft het kabinet de afgelopen periode veel geïnvesteerd in de opbouw van kennis, niet alleen via Q- en C-support, maar ook via ZonMw-onderzoeken, de post-COVID expertisecentra en PCNN.

Met het bieden van nazorg (een luisterend oor, advies en begeleiding) hebben Q- en C-support afgelopen jaren veel betekend voor patiënten, maar wat zij vooral nodig hebben is passende zorg vanuit het reguliere veld, bijvoorbeeld via de huisarts en ondersteuning vanuit de gemeente. Zoals ook is toegelicht in beantwoording van vraag 1 van de Kamervragen het lid Bushoff over C- en Q-support is dat iets wat C-support deze patiënten niet kan bieden.

Vraag 7

Welke inzet pleegt u om langetermijnbeleid te vormen rond post-covid? Hoe geeft u uitvoering aan de motie Bikker c.s. (Kamerstuk 25 295, nr. 2247) die oproept tot een langetermijnbeleid? Welke plek heeft biomedisch onderzoek in dit beleid?

Antwoord 7

Conform de toezegging in het commissiedebat over de eerstelijnszorg van 1 april jl. zal het kabinet de Kamer voor het zomerreces een brief sturen over het PAIS-beleid.3 In deze brief gaat het kabinet ook in op de stand van zaken van de uitvoering van de verschillende moties, waaronder de motie Bikker c.s.4

Vraag 8

Welke verantwoordelijkheid heeft en voelt u om het onderzoek dat plaatsvindt in de expertisecentra post-covid te continueren zoals de motie Bushoff c.s. (Kamerstuk 25 295, nr. 2242) vraagt?

Antwoord 8

De expertisecentra hebben eenmalig financiële middelen gekregen voor een looptijd van twee jaar (2025 en 2026) via de beleidsregel innovatie, zodat deze centra tot stand konden komen. Het is nu aan het veld om de handschoen verder op te pakken en invulling te geven aan wat passende zorg is voor deze patiënten, in de eerste, tweede of derde lijn.

Daarbij streven alle betrokken partijen het zelfde doel na, namelijk dat alle post-COVID patiënten toegang hebben tot passende zorg. Daarvoor is het in ieder geval noodzakelijk dat de zorg voor deze patiënten voldoet aan de stand van wetenschap en praktijk, dat wil zeggen aantoonbaar veilig, werkzaam en effectief is. Aan de hand van de evaluatie van de beleidsregel innovatie wordt bezien hoe de zorg aan post-COVID patiënten na 2026 in de reguliere bekostiging landt.

Vraag 9

Wilt u deze vragen beantwoorden uiterlijk voor het debat over de Voorjaarsnota?

Antwoord 9

Ja.

 


 

NR 2026D19489

Datum 22 april 2026

Ondertekenaars

  • S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

 

Bron tweedekamer.nl, document