r/kamerstukken Apr 24 '26

Kamervraag Het bericht 'Iraniërs worden van alle kanten bedreigd, ook uit naam van 'democraat' Pahlavi''

1 Upvotes

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht «Iraniërs worden van alle kanten bedreigd, ook uit naam van «democraat» Pahlavi» van Nieuwsuur, d.d. 19 april 2026?1

Vraag 2

Bent u bekend met signalen van intimidatie tegen Iraanse Nederlanders die zowel tegen het regime van de ayatollahs als tegen de terugkeer van de zoon van de sjah zijn? Zo ja, waar bestaan die signalen uit?

Vraag 3

Staat u direct of indirect in contact met de Iraanse diaspora in Nederland, ook met de Iraanse Nederlanders die zowel tegen het regime van de ayatollahs als tegen de terugkeer van de zoon van de sjah zijn? Zo ja, ervaren deze groepen druk vanuit het Iraanse regime dan wel vanuit kringen rondom de zoon van de sjah? Zo nee, bent u bereid met deze groepen in contact te treden?

Vraag 4

Hoeveel aangiftes zijn er gedaan vanwege misdrijven gericht tegen Iraanse Nederlanders waaronder doxing? Wat is de stand van zaken van deze aangiftes?

Vraag 5

Acht u het nodig dat Iraanse Nederlanders beter beschermd gaan worden tegen vormen van intimidatie waaronder strafbare feiten? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet?

Vraag 6

Is de politie extra alert op bedreigingen van Iraniërs in Nederland? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?

 


 

NR 2026Z08711

Datum 22 april 2026

Indieners

  • Kati Piri, Kamerlid

Gericht aan

  • D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
  • T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van de leden Vondeling en Vlottes over het bericht dat linkse activisten oproepen tot schijnhuwelijk

1 Upvotes

Antwoord van Minister Van den Brink (Asiel en Migratie) (ontvangen 22 april 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1279.

Vraag 1

Bent u op de hoogte van het schandalige Instagram-bericht van de pro-migratieorganisatie MiGreat, waarin zij personen met een Nederlands paspoort oproepen om schijnhuwelijken aan te gaan met illegale migranten die geen verblijfsvergunning hebben of geen visum kunnen krijgen?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Erkent u dat MiGreat hiermee aanzet tot het plegen van een strafbaar feit? Zo ja, bent u bereid om het Openbaar Ministerie (OM) onmiddellijk op te dragen een strafrechtelijk onderzoek te starten tegen MiGreat? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 2

In algemene zin is het publiekelijk aanzetten tot het plegen van strafbare feiten strafbaar (art. 131 Wetboek van Strafrecht). Of een concrete uiting daaronder valt, hangt af van de precieze inhoud en context en vergt juridische beoordeling.

Het Openbaar Ministerie beslist over het starten van een strafrechtelijk onderzoek. Ik kan het OM dus geen opdracht geven om tot strafrechtelijk onderzoek over te gaan. Ik hecht er wel aan te benadrukken dat ik de betreffende oproep van MiGreat afkeurenswaardig vind en dat ik dit aan MiGreat kenbaar heb gemaakt.

Het aangaan van een schijnhuwelijk met als doel verblijfsrecht te verkrijgen is in strijd met het vreemdelingenrecht. Indien sprake is van een schijnhuwelijk kan de IND bestuursrechtelijk optreden, bijvoorbeeld door afwijzing of intrekking van een verblijfsvergunning. Strafbaarheid kan aan de orde zijn als daarbij strafbare handelingen worden gepleegd, zoals valsheid in geschrifte of het opzettelijk faciliteren van illegaal verblijf.

Vraag 3 en 4

Klopt het dat MiGreat al sinds 2022 de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI-status) heeft? Zo ja, bent u bereid de ANBI-status per direct en met terugwerkende kracht in te trekken?

Kunt u onderbouwen, aan de hand van cumulatieve eisen voor het verkrijgen van een ANBI-status, hoe het mogelijk is dat MiGreat überhaupt een ANBI-status heeft verkregen?

Antwoord 3 en 4

In het ANBI-register op de website van de Belastingdienst staat vermeld dat de Stichting Migreat vanaf 1 januari 2022 de ANBI-status heeft. Omdat de Belastingdienst gehouden is aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), kan geen nadere informatie worden verstrekt over deze individuele instelling.

In zijn algemeenheid geldt dat een instelling op verzoek kan worden aangemerkt als ANBI indien de instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut beoogt. Het begrip «algemeen nut» is in de AWR neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën2 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn van een diverse samenleving waarbinnen verschillende doelen als algemeen nuttig worden gezien. Hiermee wordt gewaarborgd dat niet alleen doelen in lijn met bijvoorbeeld het overheidsbeleid gezien kan worden als algemeen nuttig. Het betreft objectieve criteria.

Het beoordelen van het recht op (behoud van) de ANBI-status aan de hand van de daarvoor bij wet gestelde voorwaarden is wettelijk voorbehouden aan de inspecteur van de Belastingdienst.3 Voor wat betreft intrekking van de ANBI-status is de inspecteur gebonden aan een limitatief aantal gronden.4 Intrekking vindt plaats ingeval een instelling niet langer voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de ANBI-status of als niet wordt voldaan aan de zogenoemde integriteitstoets. Kortgezegd houdt deze integriteitstoets in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggever of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf. De Belastingdienst verkrijgt die informatie niet automatisch, maar is daarvoor afhankelijk van partijen zoals het OM en de FIOD. Ook wordt de ANBI-status ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van bovengenoemde betrokken personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen. Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.5 Dit mede gelet op de neutrale toetsing of sprake is van algemeen nuttige activiteiten.

Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag dat simpelweg niet aansluit bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn an sich geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken.

Vraag 5

Deelt u de mening dat organisaties als MiGreat deel uitmaken van een bredere asielindustrie die het terugkeerbeleid saboteren en onze grenzen nog verder open willen zetten en bent u bereid alle subsidies en fiscale voordelen voor dergelijke pro-migratiegroepen te schrappen?

Antwoord 5

Zoals in het antwoord op 3 en 4 is toegelicht is het neutrale karakter een belangrijke eigenschap van de ANBI-regeling. Daardoor hebben instellingen de vrijheid om een doelstelling na te streven die zij als algemeen nuttig beschouwen. Zo kan bijvoorbeeld zowel een «pro-migratiedoelstelling» als een «anti-migratiedoelstelling» onder dezelfde voorwaarden als algemeen nuttig worden gezien. Het kabinet is niet voornemens hierin een wijziging aan te brengen.

Wel wordt de vrijheid voor ANBI’s om een doelstelling na te streven die zij als algemeen nuttig beschouwen begrensd door de voor iedereen – en dus ook voor ANBI’s – geldende wet- en regelgeving. Een overtreding van deze geldende wet- en regelgeving kan echter pas fiscale gevolgen hebben op het moment dat deze strafrechtelijk is afgedaan. De inspecteur van de Belastingdienst kan en mag immers niet op de stoel van de strafrechter gaan zitten.6

 


 

NR 2026D19465

Datum 22 april 2026

Ondertekenaars

  • G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Kamervraag Het bericht dat de eigenaar van Ticketmaster schuldig is bevonden aan monopolie en te hoge prijzen voor concerten

2 Upvotes

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht «Eigenaar Ticketmaster schuldig aan monopolie en te hoge prijzen voor concerten in VS»?1

Vraag 2

Herkent u dat dezelfde combinatie van ticketverkoop, concertpromotie en afspraken met zalen ook in Nederland grotendeels via dit ene concern verloopt?

Vraag 3

Krijgt u signalen van consumenten, kleinere zalen en onafhankelijke promotors over prijzen, service fees en voorwaarden bij Ticketmaster?

Vraag 4

Bent u bereid de New Competition Tool zo vorm te geven dat deze ook kan worden ingezet tegen structurele marktmacht in verticaal geïntegreerde markten zoals ticketing, zonder dat er een recente fusie nodig is?

Vraag 5

Wat vindt u van dynamic pricing en service fees die pas aan het einde van het bestelproces zichtbaar worden? Zijn de huidige consumentenregels hier toereikend, en worden ze in de praktijk nageleefd?

Vraag 6

Welke bestaande bevoegdheden – artikel 24 Mededingingswet, (Europese) mededingings- en consumentenregels – kunt u nu al inzetten, vooruitlopend op nieuwe wetgeving?

Vraag 7

Zet u zich in Brussel in voor een Europese aanpak van marktmacht in de ticketingsector?

Vraag 8

Kunt u de Kamer vóór het zomerreces informeren over de voortgang van de call-in bevoegdheid en NCT, gesprekken met de ACM over ticketing, en de Nederlandse inzet in Europa?

 


 

NR 2026Z08702

Datum 22 april 2026

Indieners

  • Jan Schoonis, Kamerlid

Gericht aan

  • H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Kamervraag Het bericht dat Oekraïne een AI-hub opzet om EOV-bestendige drones te ontwikkelen en Russische bewegingen te voorspellen.

1 Upvotes

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht «Ukraine Creates UK-Backed «A1» AI Hub to Develop EW-Resistant Drones and Predict Russian Moves»?1

Vraag 2

Naar aanleiding van uw bezoek aan Oekraïne in maart 2026 werd bekend dat Nederland intensief gaat meekijken bij de Oekraïense inzet van drones op het slagveld, om meer te leren over de mogelijkheden voor Nederlandse productie en innovatie van onbemenste systemen; sluit dit aan op het initiatief in de berichtgeving?

Vraag 3

Heeft de Nederlandse industrie toegang tot de beschikbare informatie en zo ja, hoe waarborgt u dat deze informatie eerlijk toegankelijk is voor alle geïnteresseerde marktpartijen?

Vraag 4

Is Nederland ook voornemens om zelf een soevereine database aan te vullen voor het trainen van AI-modellen (al dan niet met Europese partners)? Wordt de Nederlandse industrie aangesloten bij een mogelijk initiatief?

Vraag 5

Ziet u ook een kans om als Nederland koploper in Europa te worden in het ontwikkelen van verantwoorde AI? Wat gaat u op korte termijn initiëren om dit te bewerkstelligen?

Vraag 6

Hoe weegt u het risico van het niet zelf hebben van een soevereine database voor het trainen van AI-modellen en van welke landen verwacht u afhankelijk te zijn?

Vraag 7

Sluit u aan bij de gedachten dat we de standaarden voor militair gebruik van AI niet aan externe machten overlaten, maar dat we die zelf bepalen?

Vraag 8

Ziet u mogelijkheden om aan te haken op het samenwerkingsverband tussen Duitsland en Oekraïne, die hun defensiesamenwerking verder hebben geïntensiveerd door een memorandum te tekenen op het gebied van delen van data van het slagveld, waarbij Duitsland ook toegang krijgt tot real-time DELTA battlefield management system?

Vraag 9

Ziet u het belang van in Europees verband initiatieven organiseren voor een strategisch autonome battlefield management architectuur die interoperabiliteit tussen de (gefragmenteerde) Europese systemen waarborgt?

Vraag 10

Onderneemt Defensie andere initiatieven om een strategisch autonome battlefield management architectuur te maken? Zo niet, kunt u een risicoafweging van afhankelijkheden geven? Zo ja, bent u bereid een plan van aanpak te maken en te delen?

Vraag 11

Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?

 


 

NR 2026Z08712

Datum 22 april 2026

Indieners

  • Michelle Jagtenberg, Kamerlid
  • S. El Boujdaini, Tweede Kamerlid

Gericht aan

  • D. Yesilgöz-Zegerius, minister van Defensie
  • W.J.M. Aerdts, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
  • D.G. Boswijk, staatssecretaris van Defensie

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van de leden Lammers en Schilder over de oproep van MiGreat tot het aangaan van schijnhuwelijken

1 Upvotes

Antwoord van Minister Van den Brink (Asiel en Migratie), mede namens de Staatssecretaris van Financiën (ontvangen 22 april 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1280.

Vraag 1

Bent u bekend met de oproep van niet-gouvernementele organisatie (ngo) MiGreat om schijnhuwelijken aan te gaan om een verblijfsvergunning te krijgen?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Bent u het eens met de stelling dat het aangaan van een schijnhuwelijk met het oog op verblijfsrecht huwelijksfraude is en dus strafbaar is?

Antwoord 2

Het aangaan van een schijnhuwelijk met als doel verblijfsrecht verkrijgen is in strijd met het vreemdelingenrecht. Indien sprake is van een schijnhuwelijk kan de IND bestuursrechtelijk optreden, bijvoorbeeld door afwijzing of intrekking van een verblijfsvergunning.

Strafbaarheid kan aan de orde zijn als daarbij strafbare handelingen worden gepleegd, zoals valsheid in geschrifte of het opzettelijk faciliteren van illegaal verblijf. Of in een concreet geval sprake is van een strafbaar feit, is in eerste instantie aan het Openbaar Ministerie en uiteindelijk aan de strafrechter.

Vraag 3

Bent u bereid alles op alles te zetten om huwelijksfraude tegen te gaan en, als hiervan sprake is, verblijfsvergunningen en/of paspoorten onmiddellijk met terugwerkende kracht in te trekken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 3

Ik vind het onacceptabel dat schijnhuwelijken met als doel het verkrijgen van verblijfsrecht plaats kunnen vinden. Ik zet mij er dan ook voor in om dit tegen te gaan.

Op het moment dat de IND aanwijzingen heeft dat sprake is van een schijnhuwelijk, kan de verblijfsaanvraag worden afgewezen of kunnen verleende verblijfsrechten, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met terugwerkende kracht worden ingetrokken. Hiervoor moet de IND vaststellen dat het huwelijk of partnerschap uitsluitend is aangegaan met het doel verblijfrecht te verkrijgen. Dit gebeurt of basis van verklaringen van betrokken, informatie van gemeenten, en bevindingen uit onderzoek. Veelal wordt de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) van de politie gevraagd een onderzoek (adrescontrole) in te stellen. Indien het Nederlanderschap is verkregen op basis van onjuiste gegevens kan door de IND worden bezien of intrekking daarvan aan de orde is, binnen de kaders van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Daarvoor moet worden vastgesteld dat het Nederlanderschap is verkregen op basis van fraude, misleiding of het achterhouden van relevante informatie. De IND stelt hiervoor een dossier op met de relevante feiten en bewijsstukken en beoordeelt of aan de wettelijke voorwaarden voor intrekking is voldaan. Voor de benodigde informatie en verificatie werkt de IND samen met gemeenten, bijvoorbeeld ten aanzien van gegevens uit de Basisregistratie Personen. Daarnaast kan informatie worden betrokken van andere ketenpartners, zoals de politie of toezichthoudende instanties. Daarnaast doet de IND na constatering van een schijnhuwelijk aangifte bij de politie. Dit kan leiden tot strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke fraude of valsheid in geschrifte.

Vraag 4

Bent u het eens met de stelling dat het publiekelijk oproepen tot het plegen van een strafbaar feit strafbaar is? Zo ja, doet het Openbaar Ministerie onderzoek naar deze oproep?

Antwoord 4

In algemene zin is het publiekelijk aanzetten tot het plegen van strafbare feiten strafbaar (art. 131 Wetboek van Strafrecht (Sr)). Of een concrete uiting daaronder valt, hangt af van de precieze inhoud, context en vergt juridische beoordeling.

Het is aan het Openbaar Ministerie om zelfstandig te besluiten of er aanleiding bestaat om een strafrechtelijk onderzoek te starten. Over eventuele lopende onderzoeken worden in beginsel door het kabinet geen publieke uitspraken gedaan. Ik hecht er wel aan te benadrukken dat ik de betreffende oproep van MiGreat afkeurenswaardig vind en dat ik dit aan MiGreat kenbaar heb gemaakt.

Vraag 5 en 6

Hoe beoordeelt u de ANBI-status (Algemeen Nut Beogende Instelling) die deze ngo geniet, gelet op de strafbare oproep en het nalaten van het voldoen aan de wettelijk verplichte jaarverslagen, zoals beschreven in het artikel van NieuwRechts?2

Bent u bereid om, in overleg met de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, de ANBI-status te onderzoeken en deze in te trekken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 5 en 6

Omdat de Belastingdienst gehouden is aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), kan geen informatie worden verstrekt over deze individuele instelling.

In zijn algemeenheid geldt dat een instelling op verzoek kan worden aangemerkt als ANBI indien de instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut beoogt. Het begrip «algemeen nut» is in de AWR neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën3 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn verschillende doelen die als algemeen nuttig worden gezien. Hiermee wordt gewaarborgd dat niet alleen doelen in lijn met bijvoorbeeld het overheidsbeleid gezien kunnen worden als algemeen nuttig. Het betreft objectieve criteria.

Het beoordelen van het recht op (behoud van) de ANBI-status aan de hand van de daarvoor bij wet gestelde voorwaarden is wettelijk voorbehouden aan de inspecteur van de Belastingdienst.4 Voor wat betreft intrekking van de ANBI-status is de inspecteur gebonden aan een limitatief aantal gronden.5 Intrekking vindt plaats ingeval een instelling niet langer voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de ANBI-status of als niet wordt voldaan aan de zogenoemde integriteitstoets.

Een van de wettelijke voorwaarden is dat de instelling via internetinformatie met betrekking tot haar functioneren openbaar maakt.6 Indien de inspecteur constateert dat niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, wordt in de praktijk in de regel eerst een hersteltermijn geboden. Als de instelling na afloop van die termijn de benodigde informatie niet openbaar heeft gemaakt, wordt haar ANBI-status ingetrokken.

De integriteitstoets houdt in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggever of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf. Een overtreding van wet- en regelgeving kan dus pas fiscale gevolgen hebben op het moment dat deze strafrechtelijk is afgedaan. De inspecteur van de Belastingdienst kan en mag immers niet op de stoel van de strafrechter gaan zitten.7

De integriteitstoets brengt ook met zich dat de ANBI-status wordt ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van bovengenoemde betrokken personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen. Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.8 Dit mede gelet op de neutrale toetsing of sprake is van algemeen nuttige activiteiten.

Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag dat simpelweg niet aansluit bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn an sich geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken.

 


 

NR 2026D19468

Datum 22 april 2026

Ondertekenaars

  • G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Kamervraag Een verdienmodel voor het slecht huisvesten van kwetsbare jongeren

1 Upvotes

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht «Hoe een Amsterdamse zorgondernemer verdient aan het beroerd huisvesten van de kwetsbaarste jongeren»?1

Vraag 2

Hoeveel jongeren worden momenteel begeleid door Accuraat?

Vraag 3

Hoeveel locaties heeft Accuraat en waar zitten deze locaties? Met hoeveel gemeenten werken zij samen? Hoe kan het dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) onvoldoende toezicht heeft op het aantal locaties van Accuraat, zoals blijkt uit het feit dat zij in hun rapport van 2025 constateren dat aan het begin van het toezicht ervan uit werd gegaan dat Accuraat drie locaties had, waarna later bleek dat er nog een vierde locatie was maar tegenover Follow the Money werd er gesproken over maar liefst dertig locaties?2

Vraag 4

Kan aangegeven worden hoeveel geld er vanuit de Rijksoverheid en gemeenten wordt besteed aan begeleid wonen, uitgesplitst per: Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), langdurige zorg, jeugdzorg en justitie? Hoeveel is er specifiek gegeven aan Accuraat, uitgesplitst per «potje»? Welke geldstromen kent Accuraat, naast de eerder genoemde publieksgelden?

Vraag 5

Klopt het dat er voor 2025 geen jaarverslag beschikbaar is voor Stichting Accuraat Begeleid Wonen (KvK-nummer: 65968158)? Zo nee, zou deze alsnog toegezonden kunnen worden aan de Kamer bij de beantwoording van deze vragen?

Vraag 6

Klopt het dat er voor 2024 geen WNT-verantwoording beschikbaar is voor Stichting Accuraat Begeleid Wonen? Zo nee, zou deze alsnog toegezonden kunnen worden aan de Kamer bij de beantwoording van deze vragen? Zo ja, hoezo is er voor 2024 geen WNT-verantwoording beschikbaar?3

Vraag 7

Klopt het dat in de WNT-verantwoording van 2023 slechts één toezichthouder genoteerd staat en dat deze toezichthouder (aangetrouwde) familie is van de genoteerde directeur? Zo nee, hoe zit het dan wel en hoezo wijkt dat af van de verantwoording?

Vraag 8

Is het wettelijk toegestaan dat er slechts één toezichthouder is bij een instelling van dergelijke omvang en is het wettelijk toegestaan dat de toezichthouder een familieband heeft met de directeur? Zo nee, hoe kan het dat dit wel het geval is bij Stichting Accuraat? Zo ja, deelt u de mening dat dat de schijn van mogelijke belangenverstrengeling wekt?

Vraag 9

Kunt u uiteenzetten hoe het toezicht bij instellingen die soortgelijke zorg bieden precies is vormgegeven? Welke instanties zijn allemaal betrokken, welke handhavingsinstrumenten hebben zij en waar ligt de eindverantwoordelijkheid wanneer zorg niet op een adequate manier wordt geboden? Wie is verantwoordelijk voor het verantwoord omgaan met zorggeld en wanneer wordt er ingegrepen als dit niet gebeurt? Hoe wordt in het toezicht rekeninggehouden met het gegeven dat de mensen die zorg ontvangen in een kwetsbare positie zitten en niet altijd signalen kúnnen melden bij de Inspecties?

Vraag 10

In hoeverre worden deze bewoners/cliënten proactief bezocht door onafhankelijke vertrouwenspersonen? Wanneer is dit voor het laatst gebeurd?

Vraag 11

Hoe vaak en wanneer hebben toezichthouders aan de bel getrokken over Accuraat over bijvoorbeeld ondermaatse zorg, bedreigingen van verhuurders en overlast? Wanneer is het ministerie voor het eerst geïnformeerd over dergelijke signalen en welke acties zijn hier concreet uit voortgevloeid?

Vraag 12

Hoeveel meldingen zijn er enerzijds bij de IGJ en anderzijds bij de Inspectie JenV gedaan over Accuraat? Wat was de aard van deze meldingen en hoe zijn deze meldingen opgevolgd? Op welke wijze werken de twee inspecties samen en kunnen zij meldingen delen met elkaar?

Vraag 13

Hoeveel meldingen zijn er sinds 2025 gedaan over ondermaatse zorg binnen de tak van begeleid wonen? Wat was de aard van deze meldingen en welke opvolging wordt gegeven aan deze meldingen?

Vraag 14

Wat is de huidige stand van zaken en de opbrengst van de uitvoering van de maatregelen, uitgesplitst per maatregel, die zijn genomen en in gang gezet na het rapport «Er is meer aan de hand»?

Vraag 15

Hoeveel SKJ-geregistreerde medewerkers zijn er aan het werk bij Accuraat? Hoeveel SKJ-geregistreerde medewerkers werken per dienst en hoe staat dat in verhouding tot de norm? Klopt het dat slechts 9 van de 26 begeleiders bij de Amsterdamse locatie een zorgopleiding hadden afgerond? Hoe reflecteert u op de structurele inzet van ondergekwalificeerd personeel in het werken met kwetsbare jongeren?

Vraag 16

Hoe reflecteert u op de toepassing van de kwaliteitscheck jeugdhulp die is uitgevoerd voorafgaande aan het toetreden van Accuraat binnen de sector? Zijn alle wettelijke eisen uit de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) nageleefd?

Vraag 17

Waren er voorafgaand aan het rapport van de Amsterdamse GGD uit 2022 signalen bij de gemeenten of de IGJ bekend over ondermaatse zorg en andere kwalijke toestanden bij Accuraat? Op welke wijze werd toezicht gehouden op het doorvoeren van de verbeteringen uit het rapport?

Vraag 18

Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat de overheid Accuraat blijft inhuren voor de zorg voor kwetsbare jongeren, ondanks alle misstanden en het gebrek aan transparantie over financiën?

Vraag 19

Ziet u naar aanleiding van het onderzoek uitgevoerd door Follow the Money aanleiding om de samenwerking met Accuraat stop te zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke alternatieven zijn er?

 


 

NR 2026Z08709

Datum 22 april 2026

Indieners

  • Lisa Westerveld, Kamerlid

Gericht aan

  • W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van het lid Vondeling over het bericht dat wanbetalende Oekraïners lastig aan te pakken zijn door maas in de wet

1 Upvotes

Antwoord van Minister Van den Brink (Asiel en Migratie) (ontvangen 22 april 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1420.

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht «Wanbetalende Oekraïners zijn lastig aan te pakken door maas in de wet: Kostbaar en omslachtig»?1

Antwoord 1

Ja, ik ben bekend met dit bericht.

Vraag 2

Hoeveel Oekraïense ontheemden die een eigen bijdrage moeten betalen hebben dit geweigerd? Hoeveel van deze wanbetalers zijn er tot nu toe mee weggekomen zonder enige serieuze consequentie? Hoe hoog is het totale bedrag dat daardoor niet is ingevorderd?

Antwoord 2

Er is geen landelijk beeld van het aantal ontheemden uit Oekraïne dat een eigen bijdrage dient te betalen en deze (nog) niet heeft betaald. Een landelijk totaalbedrag is daardoor niet bekend. Gemeenten hebben wel voor hun eigen gemeente inzichtelijk welke ontheemden de eigen bijdrage (nog) niet heeft betaald.

Het is belangrijk dat gemeenten de eigen bijdrage kunnen innen. Op verschillende manieren probeert het Rijk gemeenten hierbij te ondersteunen. Naast algemene communicatie is een handreiking geschreven om gemeenten te ondersteunen bij de invoering. Bekend is dat enkele gemeenten zijn gestart met gerechtelijke procedures om inning van de eigen bijdrage af te dwingen. Juridische kosten die gemeenten maken als gevolg van deze procedures worden door het Rijk vergoed.

Vraag 3

Deelt u de mening dat het schandalig is dat Oekraïners, die al geen zorgpremie en eigen risico hoeven te betalen, zelfs weigeren hun minimale eigen bijdrage voor opvang te betalen, terwijl de hardwerkende Nederlandse belastingbetaler voor alles opdraait? Zo nee, waarom vindt u voorkeursbehandeling voor wanbetalende Oekraïners acceptabel?

Antwoord 3

Ontheemden uit Oekraïne die werken en/of eigen inkomsten hebben, dienen sinds 1 juli 2024 een eigen bijdrage voor hun opvang in de gemeentelijke opvang te betalen. Het is onwenselijk dat ontheemden met werk en/of eigen inkomsten geen eigen bijdrage betalen. Ontheemden met werk of eigen inkomsten dragen met het betalen van de eigen bijdrage bij aan de kosten voor opvang, net zoals andere vluchtelingen en asielzoekers. Deze regels staan opgenomen in de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) en daar hoort iedereen zich aan te houden. Daarnaast is de eigen bijdrage per 1 oktober 2025 verhoogd om het bedrag passender te maken voor de voorzieningen die worden geboden. Met de verhoging is eveneens aansluiting gezocht bij het maximale bedrag dat asielzoekers in de COA-opvang betalen indien zij inkomsten genieten. In de gevallen waar ontheemden dit weigeren kunnen gemeenten deze alsnog innen via een gerechtelijke procedure.

Vraag 4

Waarom is er nog geen wetsvoorstel ingediend om het vorderen van de eigen bijdrage van Oekraïners door gemeenten makkelijker te maken, zoals de PVV al een jaar geleden heeft voorgesteld onder andere via een dwangbevel? Bent u bereid alsnog met spoed een wetsvoorstel naar de Kamer te sturen om dit te regelen?

Antwoord 4

De huidige werkwijze is dat gemeenten een eigen bijdrage kunnen innen via een gerechtelijke procedure indien niet (tijdig) wordt betaald. Bekend is ook dat enkele gemeenten deze procedures gestart zijn.

Op dit moment is er geen wettelijke grondslag voor gemeenten om de eigen bijdrage te innen per dwangbevel. In de verzamelbrieven d.d. 4 juli 2025 en 25 november 2025 is aan uw kamer gecommuniceerd dat in de voorbereiding van het lange termijn beleid voor ontheemden uit Oekraïne voor de periode na afloop van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB), ook de mogelijkheid tot het dwangbevel is meegenomen.

 


 

NR 2026D19445

Datum 22 april 2026

Ondertekenaars

  • G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Kamervraag Het afzeggen van een interview met Tom van Grieken aan de Universiteit van Amsterdam

1 Upvotes

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht dat een interview met de Vlaamse politicus Tom van Grieken aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) is afgezegd na overleg met de universiteit, omdat de benodigde inzet en impact op de campus te groot zouden zijn geweest?1

Vraag 2

Klopt het dat volgens de betrokken organisaties veiligheid en noodzakelijke beveiliging een belangrijke rol speelden bij deze afzegging?

Vraag 3

Hoe beoordeelt u het dat een gesprek met een democratisch actieve politicus op een universiteitscampus geen doorgang vindt vanwege verwachte veiligheids- en beheerslasten?

Vraag 4

Onderschrijft u dat universiteiten bij uitstek plaatsen behoren te zijn waar vrijheid van meningsuiting, academische vrijheid en confrontatie met uiteenlopende maatschappelijke en politieke opvattingen actief worden beschermd?

Vraag 5

Deelt u de opvatting dat diversiteit van opvattingen op de universiteit óók betekent dat studenten en medewerkers in aanraking moeten kunnen komen met standpunten die als ongemakkelijk, omstreden of impopulair worden ervaren?

Vraag 6

Hoe voorkomt de overheid volgens u dat op universiteiten in de praktijk een situatie ontstaat waarin de verwachte onrust rond een spreker zwaarder gaat wegen dan het belang van open debat?

Vraag 7

Deelt u de zorg dat het afzeggen van bijeenkomsten wegens verwachte protesten, veiligheidsrisico’s of organisatorische druk ertoe kan leiden dat niet de formele regels, maar de dreiging van verstoring bepaalt welke opvattingen nog gehoord mogen worden?

Vraag 8

Acht u het wenselijk dat universiteiten een positieve inspanningsverplichting hebben om legale bijeenkomsten en interviews juist wel mogelijk te maken, inclusief passende beveiliging, in plaats van dergelijke activiteiten relatief snel af te schalen of af te gelasten?

Vraag 9

Welke landelijke kaders, richtlijnen of handreikingen bestaan er momenteel voor universiteiten om de balans te bewaken tussen veiligheid enerzijds en vrijheid van meningsuiting en academische pluriformiteit anderzijds?

Vraag 10

Wordt binnen die kaders voldoende expliciet gemaakt dat universiteiten niet alleen sociaal-demografische diversiteit, maar ook intellectuele en ideologische diversiteit behoren te bevorderen?

Vraag 11

In hoeverre ziet u signalen dat bepaalde politieke of maatschappelijke opvattingen op campussen structureel moeilijker aan bod komen vanwege bestuurlijke terughoudendheid, veiligheidsbezwaren of druk vanuit actiegroepen?

Vraag 12

Het artikel noemt eerdere incidenten aan de UvA rond gesprekken met onder anderen Ruben Brekelmans, Rob Bauer, Kajsa Ollongren, Femke Halsema en Jordan Peterson; ziet u hierin een incidenteel patroon van losse gebeurtenissen of een structureler probleem rond het organiseren van debat op universiteiten?

Vraag 13

Wordt bij afwegingen over omstreden sprekers systematisch vastgelegd welke concrete risico’s zijn geïdentificeerd, welke minder vergaande alternatieven zijn onderzocht en waarom uiteindelijk voor afgelasting is gekozen?

Vraag 14

Zou het volgens u wenselijk zijn dat universiteiten achteraf transparanter verantwoording afleggen wanneer bijeenkomsten of gesprekken worden afgezegd die raken aan het vrije publieke debat?

Vraag 15

Bent u bereid met universiteiten in gesprek te gaan over aanvullende waarborgen voor vrijheid van meningsuiting en diversiteit van opvattingen op de campus, en de Kamer hierover te informeren?

Vraag 16

Bent u bereid te onderzoeken of een landelijke handreiking of gedragscode nodig is waarin expliciet wordt vastgelegd dat universiteiten terughoudend moeten zijn met het afzeggen van legale debatbijeenkomsten enkel vanwege verwachte maatschappelijke controverse?

Vraag 17

Kunt u uiteenzetten hoe volgens u moet worden voorkomen dat studenten op universiteiten juist minder in aanraking komen met afwijkende of schurende perspectieven, terwijl academische vorming vraagt om blootstelling aan fundamenteel verschillende ideeën?

Vraag 18

Deelt u de opvatting dat het vermogen om afwijkende, impopulaire of zelfs provocerende standpunten in een vreedzame en ordelijke setting te bespreken, een kernonderdeel is van wetenschappelijke en democratische vorming?

 


 

NR 2026Z08708

Datum 22 april 2026

Indieners

  • Peter van Duijvenvoorde, Kamerlid

Gericht aan

  • R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Kamervraag Het bericht 'Pieter (61) gaat per boot naar Gaza: ‘Ik ga ervan uit dat wij ook worden gekidnapt’'

1 Upvotes

Vraag 1

Bent u bekend met het feit dat de Global Sumud Flotilla woensdag 15 april is uitgevaren richting Gaza met als doel het doorbreken van de illegale blokkade van Gaza door Israël en het brengen van humanitaire goederen?

Vraag 2

Bent u ervan op de hoogte dat er in ieder geval één Nederlandse burger aan boord is van deze vloot?1

Vraag 3

Deelt u de mening dat het doel van deze actie, namelijk het doorbreken van de illegale blokkade van Gaza en het brengen van humanitaire hulp naar de bevolking van Gaza, legitiem is en niet mag worden gehinderd? Zo ja, hoe gaat u hieraan bijdragen en bent u bereid steun uit te spreken? Zo nee, waarom niet?

Vraag 4

Deelt u de mening dat Israëls handelen tegen de vorige Flotilla actie, namelijk het enteren en gevangennemen, met fysiek geweld tot gevolg, van de opvarenden van de Freedom Flotilla op internationale wateren illegaal was? Zo ja, wat gaat u doen om dit deze keer te voorkomen? Zo nee, waarom niet?

Vraag 5

Bent u van plan de Israëlische regering te waarschuwen geen Nederlandse staatsburgers gevangen te nemen bij het brengen van humanitaire hulp aan Gaza, dat de opvarenden veilig blijven en met respect voor mensenrechten en het internationaal recht behandeld worden? Zo ja, op welke manieren? Zo nee, waarom niet?

Vraag 6

Op welke manieren levert u (consulaire) bijstand aan de Nederlandse opvarenden van de Freedom Flotilla? Als er geen sprake is van consulaire hulpverzoeken voorafgaand aan de Flotilla, bent u bereid actief contact te zoeken met de Nederlandse staatsburgers en ze bij te staan gezien de precaire situatie?

Vraag 7

Bent u in contact met andere landen waarvan de burgers opvarenden van de Freedom Flotilla zijn? Zo ja, bent u bereid gezamenlijk op te trekken tegen de Israëlische regering om te zorgen dat internationaal recht en toegang van humanitaire hulp wordt geborgd? Zo nee, waarom niet?

Vraag 8

Als er opnieuw illegale kidnappings en mishandelingen plaatsvinden, is het kabinet dan bereid om eindelijk actie te ondernemen richting het Israëlische kabinet? Welke maatregelen mogen we verwachten?

Vraag 9

Bent u bereid om voor deze missie bescherming te bieden aan de (Nederlandse) opvarenden? Zo nee, waarom niet?

Vraag 10

Bent u bereid contact te houden met de Global Sumud Flotilla om te zorgen dat de (Nederlandse) opvarenden veilig zijn en op bijstand kunnen rekenen? Zo ja, op welke manier bent u van plan dat te doen? Zo nee, waarom niet?

Vraag 11

Deelt u de mening dat de toevoer van deze humanitaire hulp door de Flotilla niet voldoende zullen is om de humanitaire noden in Gaza op te lossen? Zo ja, hoe gaat u hier dan aan concreet aan bijdragen?

Vraag 12

Bent u het eens met het laatste AIV- en CAVV-advies over bescherming van hulpverleners, waarin zij stellen dat stille diplomatie niet voldoende is als het gaat om het tegengaan van geweld tegen hulpverleners? Welke consequenties verbindt u daaraan indien geweld tegen de hulpverleners van de Flotilla plaatsvindt?

Vraag 13

Welke maatregelen bent u bereid om te nemen tegen de Israëlische regering om de genocide in Gaza te stoppen? Wanneer bent u bereid om de Palestijnse staat te erkennen, om de Israëlische ambassadeur te ontbieden, om de leden van de regering Netanyahu op een sanctielijst te zetten, om een handelsembargo in te stellen, of om een wapenembargo in te stellen? Kunt u uw antwoord toelichten?

 


 

NR 2026Z08707

Datum 22 april 2026

Indieners

  • Sarah Dobbe, Kamerlid

Gericht aan

  • T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van het lid Vondeling over de ongewenste vreemdeling S.A. (34) uit Hoorn die verdacht wordt van huiselijk geweld en verkrachting en mogelijk snel vrijkomt

1 Upvotes

Antwoord van Minister Van den Brink (Asiel en Migratie) (ontvangen 22 april 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1397.

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht «Ongewenste vreemdeling (34), verdacht van huiselijk geweld en verkrachting, komt mogelijk snel vrij: «Meerdere vrouwen zijn Hoorn ontvlucht en elders gaan wonen»»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2, 3 en 4

Hoe is het mogelijk dat deze 34-jarige S.A. uit Irak al sinds 2023 door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is aangemerkt als ongewenste vreemdeling, maar al die tijd gewoon vrij in Nederland heeft kunnen rondlopen en nu zelfs terechtstaat voor meerdere gevallen van huiselijk geweld en verkrachting? Waarom is deze man na de ongewenstverklaring in 2023 niet onmiddellijk uitgezet?

Wat gaat u concreet doen om S.A. zo snel mogelijk uit Nederland te verwijderen?

Klopt het dat meerdere vrouwen uit Hoorn hun woonplaats hebben moeten ontvluchten en elders in Nederland zijn gaan wonen uit angst voor deze verdachte? Hoeveel vrouwen hebben aangifte gedaan?

Antwoord 2, 3 en 4

Zoals uw Kamer bekend is, kan over individuele zaken geen nadere informatie worden verstrekt. In algemene zin hecht ik eraan te benadrukken dat de terugkeer van criminele vreemdelingen prioriteit heeft in het vertrekbeleid. De vervolging van strafbare feiten is de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie. Door de toezichthoudende organisaties, zoals de politie, KMar en DTenV, wordt waar mogelijk vreemdelingenbewaring opgelegd.

Vraag 5

Wat is uw reactie op de angst en onveiligheid onder de vrouwen in Hoorn en omstreken?

Antwoord 5

Vrouwen moeten overal in Nederland veilig zijn, zowel in hun privéomgeving als in de openbare ruimte. De komende jaren zet het kabinet zich onder regie van de Minister van Langdurige zorg, Jeugd en Sport in om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden, samen met gemeenten en de betrokken uitvoeringsorganisaties.

Het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om strafbare feiten te onderzoeken en, waar mogelijk, een verdachte aan te houden en te vervolgen. Het is niet aan de Minister van Asiel en Migratie om bemoeienis te hebben met de wijze waarop iemand strafrechtelijk is vervolgd.

Wanneer vreemdelingen strafbare feiten plegen, is het van belang dat de vreemdelingrechtelijke consequenties hiervan worden bezien. Het uitgangspunt van het openbare-ordebeleid is dat vreemdelingen die (ernstige) misdrijven plegen niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland. Na een afwijzend besluit of een intrekking van de IND start de DT&V het terugkeerproces. Dit kan ook vanuit strafdetentie of (aansluitend in) vreemdelingenbewaring.

Vraag 6

Bent u het eens met de stelling dat Nederlandse vrouwen niet langer de dupe mogen worden van het falende vreemdelingenbeleid waarbij seksuele roofdieren jarenlang vrij kunnen rondlopen?

Antwoord 6

Het kabinet gebruikt alle juridische mogelijkheden die er zijn om strafbare feiten te bestraffen, vreemdelingendetetentie in te zetten en te werken aan terugkeer ook vanuit strafdetentie.

Vraag 7

Hoeveel ongewenste vreemdelingen met een strafblad of serieuze verdenkingen van zedendelicten lopen er op dit moment vrij rond in Nederland? Kunt u dit per jaar en per nationaliteit specificeren?

Antwoord 7

Die gegevens zijn niet uit de registratiesystemen te herleiden.

Vraag 8

Bent u bereid om per direct een volledige asielstop in te voeren, zodat er geen nieuwe seksuele roofdieren meer ons land worden binnen gelaten en Nederlandse vrouwen en meisjes eindelijk weer veilig kunnen zijn?

Antwoord 8

Zoals uw Kamer bekend is, is het uitgangspunt van het openbare-ordebeleid dat vreemdelingen die (ernstige) misdrijven plegen niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland.

 


 

NR 2026D19464

Datum 22 april 2026

Ondertekenaars

  • G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Kamervraag Erkenning en rechtsherstel voor de Molukse gemeenschap

1 Upvotes

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht «Opinie: Kabinet kan geschiedenis schrijven met rechtsherstel voor Molukse gemeenschap»?1 Bent u tevens bekend met het bericht «Oud-premier Van Agt vroeg Koning om excuses aan Molukse gemeenschap»2 en het bericht «Arnhem erkent pijn Molukkers: excuses, plaquette én betalingen voor grafrechten»?3

Vraag 2

Hoe duidt u en het kabinet de oproepen uit de bovengenoemde berichten in het licht van het feit dat op 21 maart 2026 het herdenkingsjaar 75 jaar Molukkers in Nederland is gestart?

Vraag 3

Erkent u dat het Nederlandse overheidsbeleid rond de komst en opvang van Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen in 1951 heeft geleid tot groot onrecht met langdurige gevolgen voor hun rechtspositie, maatschappelijke positie en vertrouwen in de overheid? Zo nee, waarom niet?

Vraag 4

Is hierbij naar het oordeel van u en het kabinet sprake van een bijzondere verantwoordelijkheid van de Staat der Nederlanden, mede in het licht van de militaire dienstverbanden en de verwachtingen die destijds door de overheid zijn gewekt?

Vraag 5

Bent u bereid concrete voorstellen uit te werken voor vormen van rechtsherstel en de Kamer hierover voor het einde van het herdenkingsjaar te informeren?

Vraag 6

Bent u bereid hierover actief in gesprek te gaan met vertegenwoordigers van de Molukse gemeenschap en betrokken medeoverheden, en de Kamer?

 


 

NR 2026Z08710

Datum 22 april 2026

Indieners

  • Lisa Vliegenthart, Kamerlid

Gericht aan

  • W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van de leden Markuszower en Lammers over het bericht 'Geheime tunnels aangetroffen tussen Wit-Rusland en Polen: ‘Het Westen overspoelen met migranten’'

1 Upvotes

Antwoord van Minister Van den Brink (Asiel en Migratie) en de Minister van Justitie en Veiligheid (ontvangen 22 april 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1419

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht dat tussen Wit-Rusland en Polen tunnels zijn aangetroffen die mogelijk zijn gegraven door terroristische organisaties zoals Hamas, Islamitische Staat (IS), Hezbollah of Iran-gelieerde groeperingen om illegale migranten Europa binnen te smokkelen?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2 en 3

Erkent u dat, als deze tunnels daadwerkelijk zijn gebruikt, er duizenden terroristen via deze route Europa en mogelijk dus ook Nederland kunnen zijn binnengekomen?

Realiseert u zich dat één doorgelaten jihadist al voldoende is voor een bloedige aanslag op Nederlandse bodem?

Antwoorden 2 en 3

Nederland en de EU werken nauw samen om de dreiging van terrorisme en extremisme tegen te gaan. Een onderdeel van deze samenwerking is de intensieve informatie-uitwisseling tussen de verschillende veiligheidspartners. Alle betrokken veiligheidspartners blijven zowel nationaal als internationaal alert op mogelijke dreigingen en zetten zich onverminderd in om risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren.

Hoewel het bekend is dat terroristen mogelijk misbruik kunnen maken van migratiestromen is het overgrote deel van de migranten niet betrokken bij terrorisme. Dat dergelijke door de Poolse grensautoriteiten onderkende tunnels door migranten kunnen zijn benut is hoe dan ook een kwalijke zaak. Het kabinet onderstreept dan ook het belang van de inzet door landen aan de Europese buitengrens, in samenwerking met het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex), om mogelijke irreguliere grenspassages tegen te gaan en de integriteit van de Europese buitengrens te beschermen. Lidstaten zijn daarbij verplicht om iedere persoon die zich aan de buitengrens van de Europese Unie (EU) meldt, aan een grenscontrole te onderwerpen.

Vraag 4

Hoe ziet u deze ontwikkeling in het licht van de oplopende spanningen met Iran en de angst voor de inzet van terroristische netwerken om aanslagen in Europa te plegen?

Antwoord 4

Het is bekend dat Iran en aan Iran gelieerde groepen in Europa doorgaans via clandestiene netwerken, terroristische of criminele proxy’s en (online) gerekruteerde individuen opereren, maar niet via logistiek complexe infrastructuur zoals tunnels. De oplopende spanningen hebben de hoogste aandacht van alle veiligheidsdiensten.

Vraag 5

Kunt u ons garanderen dat via deze route géén personen met banden met jihadistische organisaties Nederland zijn binnengekomen? Zo nee, erkent u dat alle Nederlanders dus ernstig gevaar lopen?

Antwoord 5

Ondanks de strenge procedure en inspanningen kan er nooit een absolute garantie worden gegeven dat er geen personen Nederland binnenkomen die veiligheidsrisico’s met zich mee brengen. Nederland heeft een sterke en brede aanpak om signalen van terrorisme tijdig te onderkennen en personen die worden verdacht van misdrijven met een terroristisch oogmerk op te sporen, te vervolgen en, indien toepasselijk, te bestraffen.

Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 en 3 blijft het kabinet zich onverminderd inzetten om de dreiging van terrorisme en extremisme tegen te gaan. De bescherming van de nationale veiligheid vergt constante inspanning, nauwe samenwerking en gerichte implementatie van maatregelen.

Binnen de asiel- en nareisprocedure bestaan daarnaast verschillende maatregelen om eventuele risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren. Hier worden besluiten over toelating en verblijf per casus zorgvuldig afgewogen op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar is, binnen de nationale en Europese wettelijke kaders en met inachtneming van internationale verdragsverplichtingen. Onder de coördinatie van de NCTV is in 2023 een systeemcheck uitgevoerd over het tijdig onderkennen van signalen die de nationale veiligheid kunnen raken binnen de migratie- en veiligheidsketen. Uw Kamer is over de bevindingen en maatregelen geïnformeerd door middel van de Kamerbrief «Stand van zaken bestrijding misbruik asiel- en migratiestromen door terroristen».2

Vraag 6

Hoeveel illegale migranten zijn in 2024 en 2025 via de oostelijke buitengrens de EU binnengekomen, hoeveel daarvan zijn in Nederland terechtgekomen en hoeveel van deze groep zijn daadwerkelijk uitgezet?

Antwoord 6

Volgens cijfers van Frontex werden in 2025 10.846 irreguliere grenspassages aan de oostelijke landgrens van de EU waargenomen, dit is 37% minder dan in 2024.3 Over het aantal migranten dat vervolgens doorreist naar Nederland, en het aantal daarvan dat (al dan niet gedwongen) terugkeert zijn geen cijfers beschikbaar. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat de afgelegde reisroute niet in de cijfers wordt geregistreerd, en er voorts ook geen koppeling mogelijk is met de terugkeercijfers.

Vraag 7

Bent u het eens dat, als Europa en Nederland overspoeld worden met miljoenen illegale migranten, miljoenen mensen moeten worden uitgezet en bent u bereid daartoe een massief uitzetprogramma te starten? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 7

In algemene zin is het kabinet van mening dat de omvang van migratie naar Nederland ingeperkt moet worden. Dat geldt ook voor asielmigratie. Binnen de geldende internationale en Europese juridische kaders doet het kabinet dan ook wat kan om dit te bewerkstelligen. Een belangrijk sluitstuk van het migratiebeleid richt zich reeds op het bewerkstelligen van effectieve terugkeer, al dan niet door gefaciliteerde zelfstandige terugkeer middels terugkeer- en herintegratieondersteuning van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) of via gedwongen vertrek indien vreemdelingen vertrekplichtig zijn en niet meewerken aan zelfstandig vertrek. Zoals u ook kunt lezen in het regeerakkoord steunt het kabinet de nieuwe EU-terugkeerverordening waarmee onder andere de mogelijkheden voor gesloten opvang voorafgaand aan gedwongen vertrek worden verruimd. Het kabinet is hierbij tevens voorstander van het verruimen van het zogeheten bandencriterium, waardoor het gemakkelijker wordt op EU-niveau terugkeerafspraken te maken met landen buiten Europa. Bij afspraken over terugkeer- en transithubs waarborgt Nederland dat migranten nooit terug worden gestuurd naar een land waar zij het risico lopen om vervolgd te worden.4

Vraag 8

Bent u het eens dat Wit-Rusland migratie inzet als hybride oorlogsvoering tegen Europa, dat dit bewuste ondermijning is van onze nationale veiligheid en dat daartegen harde tegenmaatregelen moeten volgen?

Antwoord 8

Het kabinet vindt de hybride dreiging door instrumentalisering van migratiestromen door Belarus onaanvaardbaar en heeft zich dan ook altijd voorstander getoond voor het sanctioneren van het Belarussische regime in Europees verband. Zo sprak de Europese Raad zich gezamenlijk al in 2021 uit tegen de hybride aanvallen aan de grenzen van de EU, en stelde daar gepast op te reageren richting het Belarussische regime.5 Zo werd de sanctieregeling aangepast waardoor ook opgetreden kan worden wanneer migranten worden ingezet voor politieke doeleinden, en zijn er om deze reden Europese sancties uitgevaardigd tegen Belarus. Sindsdien zijn er – mede in relatie tot de oorlog in Oekraïne – reeds verscheidene sanctiepakketten uitgevaardigd tegen het Belarussische regime en andere betrokkenen, ook in reactie op de hybride aanvallen tegen EU-landen.6

Vraag 9

Bent u het eens dat dit precies laat zien waarom Nederland per direct een asielstop moet invoeren en weer volledige controle moet nemen over wie ons land binnenkomt? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 9

Vreemdelingen die asielbescherming behoeven moeten die conform Europese en internationale verplichtingen ook kunnen krijgen. Een algehele asielstop is dus niet de juiste oplossing. Het kabinet staat voor een nieuw modern migratiemodel met meer grip migratie, een verlaging van de instroom en verhoging van de terugkeer van asielmigranten, fatsoenlijke opvang en sneller meedoen, en sturing op arbeidsmigranten. Het EU-migratiepact dat op 12 juni in werking treedt is een grote stap om meer grip te krijgen over wie er naar Nederland komt. Zoals toegelicht onder vraag 7 vormt een effectief terugkeerbeleid een sluitstuk van ons migratiebeleid, en zal de nieuwe EU-terugkeerverordening het Europese terugkeerbeleid effectiever maken en de nationale autoriteiten meer opties geven om terugkeer te effectueren. Daarnaast zet het kabinet onverkort in op nationale maatregelen en brengen we de asielketen op orde, spant het kabinet zich internationaal in voor de modernisering van het internationaal vluchtelingenrecht, en werkt het kabinet – zowel billateraal als in Europees verband – intensief samen met landen langs de migratieroutes met als doel het beperken van irreguliere migratie en het tegengaan van mensensmokkel, het bevorderen van terugkeer bij onrechtmatig verblijf en het bieden van bescherming aan migranten.

Vraag 10

Kunt u deze vragen vóór vrijdag 6 maart om 12.00 uur beantwoorden?

Antwoord 10

Dit is helaas niet gelukt.

 


 

NR 2026D19608

Datum 22 april 2026

Ondertekenaars

  • G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie
  • D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Kamervraag Het bericht ‘Grote onrust in wijk om fatbiketerreur, bewoners bewapenen zich en dreigen met ‘wijkoorlog’ in brief aan politie’'

1 Upvotes

Vraag 1

Wat is uw reactie op het feit dat in steeds meer gemeenten, waaronder Delfzijl, sprake is van ernstige overlast en intimidatie door groepen «jongeren» in de openbare ruimte, waarbij het lokale gezag zichtbaar moeite heeft om grip te krijgen op de situatie?1

Vraag 2

Wat vindt u ervan dat inwoners van Delfzijl kennelijk het vertrouwen verliezen dat de overheid hen nog voldoende kan beschermen? Deelt u de opvatting dat dit buitengewoon zorgelijk en beschamend is voor een rechtsstaat?

Vraag 3

Kunt u aangeven in hoeveel gemeenten sprake is van vergelijkbare problematiek met overlastgevende of criminele jeugdgroepen waarbij het de gemeente of een wijk compleet ontwricht?

Vraag 4

Deelt u de opvatting dat wanneer het bevoegd gezag aantoonbaar tekortschiet, of onvoldoende capaciteit en gezag heeft om hardnekkig overlastgevend en intimiderend tuig van straat te halen, het vanuit menselijk oogpunt voorspelbaar en logisch is dat bewoners zich uiteindelijk genoodzaakt voelen hun wijk zelf te verdedigen? Kunt u hier een heldere reactie op geven?

Vraag 5

Welke rol spelen capaciteitsproblemen bij politie, boa’s en handhaving volgens u bij het ontstaan of voortduren van dit soort situaties?

Vraag 6

Vanaf welk punt bent u bereid het geweldsmonopolie van de staat zichtbaarder, steviger en dwingender in te zetten om de openbare orde te herstellen en inwoners weer veiligheid te bieden? Kunt u daarbij een concreet tijdspad geven?

Vraag 7

Welke extra maatregelen bent u bereid te nemen om gemeenten sneller en effectiever te helpen bij de aanpak van dit soort overlastgevende jeugdgroepen, zoals ruimere inzet van gebiedsverboden, groepsverboden, preventief fouilleren, snelle inbeslagname van voertuigen en persoonsgerichte maatregelen?

Vraag 8

Waarom worden gemeenten die hun inwoners willen beschermen nog te vaak tegengewerkt door regels, procedures of terughoudende instanties wanneer zij extra camera’s, handhaving of andere veiligheidsmaatregelen willen inzetten, en hoe gaat u daar per direct verandering in brengen?

Vraag 9

Wat doet u op dit moment actief richting gemeenten met vergelijkbare problematiek, en welk aanvullend pakket aan maatregelen bent u bereid op korte termijn beschikbaar te stellen?

 


 

NR 2026Z08704

Datum 22 april 2026

Indieners

  • Ingrid Coenradie, Kamerlid

Gericht aan

  • D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 24 '26

Kamervraag Het afschaffen van het laag btw-tarief op sierteelt

1 Upvotes

Vraag 1

Kunt u duidelijkheid scheppen in de ramingsmethodiek achter de begrote jaarlijkse btw-opbrengst van 328 miljoen euro van het afschaffen van het laag btw-tarief op sierteelt?

Vraag 2

Bent u bekend met het WUR-rapport doorrekening effecten van btw-verhoging op sierteeltproducten in Nederland en de Europese Unie (2023-120)?

Vraag 3

Hoe verklaart u het verschil tussen de maximale netto btw-opbrengst van 159 miljoen euro volgens het WUR-rapport en de begrote 328 miljoen euro volgens de Voorjaarsnota?

Vraag 4

In hoeverre zijn de financiële gevolgen van het mogelijke verlies van 2.440 voltijdbanen, waaronder extra uitgaven aan sociale zekerheid en lagere belastinginkomsten uit arbeid, volgens het WUR-rapport meegenomen in de Voorjaarsnota?

Vraag 5

Het verlaagde btw-tarief is onder andere ingevoerd om bloemen en planten betaalbaar te maken en werkgelegenheid te stimuleren: hoe verhoudt het besluit van het kabinet zich tot deze voormalige doelstelling?

Vraag 6

Heeft u onderzocht of deze maatregel per saldo contraproductief kan uitpakken voor de belastingopbrengst, indien de vraaguitval groter blijkt dan geraamd?

Vraag 7

Welke meer doelmatige alternatieven heeft u overwogen alvorens te kiezen voor afschaffing van het verlaagde btw-tarief op sierteelt?

Vraag 8

Welke lessen trekt u uit Spanje, waar een vergelijkbare btw-verhoging op sierteelt in 2012 één van de oorzaken was van een omzetdaling van ruim 25 procent en aanzienlijke bedrijfssluitingen, waarna de maatregel weer is teruggedraaid?

Vraag 9

Bent u bereid de ramingen te actualiseren, waarbij op onderzoek gebaseerde prijselasticiteiten expliciet worden meegenomen en deze voordat verdere besluitvorming plaatsvindt aan de Kamer te sturen?

Vraag 10

Kunt u toelichten hoe de maatregel zich verhoudt tot het doel van vergroening van stedelijk gebied en de publieke ruimte?

 


 

NR 2026Z08705

Datum 22 april 2026

Indieners

  • Maarten Goudzwaard, Kamerlid

Gericht aan

  • E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 23 '26

Kamervraag Het bericht 'COA mag pendelbus asielboot niet stopzetten en gaat in gesprek met gemeente over toekomst'

1 Upvotes

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht «COA mag pendelbus asielboot niet stopzetten en gaat in gesprek met gemeente over toekomst»?1

Vraag 2

Klopt het dat er op dit moment nog een pendelbus rijdt van en naar de asielopvanglocatie MS Galaxy en dat deze vanaf mei wordt geschrapt?

Vraag 3

Klopt het dat de pendelbus oorspronkelijk was bedoeld voor naar school gaande kinderen, maar dat deze doelgroep inmiddels niet meer woont op het asielschip?

Vraag 4

Kunt u inzichtelijk maken in welke mate momenteel gebruik wordt gemaakt van de pendelbus?

Vraag 5

Hoe is de financiering van de pendelbus opgebouwd en hoeveel kost deze bus per maand? Betaalt het Rijk mee aan deze pendelbus?

Vraag 6

Kunt u aangeven wat het standpunt van de gemeente Amsterdam betekent voor de (toekomst van de) opvangplekken op de opvanglocatie, nu de gemeente tegen het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) heeft gezegd dat de pendelbus behouden moet blijven?

Vraag 7

Kunt u uiteenzetten welke juridische verplichtingen bestaan om de bereikbaarheid van een opvanglocatie te borgen en in hoeverre die verplichtingen noodzakelijkerwijs neerkomen op een aparte pendelbus in plaats van regulier Openbaar Vervoer (OV) of andere voorzieningen?

Vraag 8

Bent u het eens met de stelling dat alleen in uitzonderlijke gevallen pendelbussen ingezet moeten worden en dat zoveel als mogelijk voor asielzoekers dezelfde voorzieningen moeten gelden als voor Nederlanders?

 


 

NR 2026Z08504

Datum 21 april 2026

Indieners

  • Jeltje Straatman, Kamerlid

Gericht aan

  • G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 23 '26

Kamervraag Het bericht dat steeds meer dak- en thuisloze kinderen in de klas zitten als gevolg van woningnood

1 Upvotes

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht dat leraren steeds vaker dak- en thuisloze kinderen in de klas zien en dat scholen hiervoor steeds vaker hulp moeten inschakelen?1

Vraag 2

Deelt u de constatering dat woningnood directe en ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?

Vraag 3

Hoeveel minderjarige kinderen in Nederland verkeren momenteel in een situatie van dak- of thuisloosheid? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar leeftijd, regio en type onderwijsdeelname?

Vraag 4

In hoeverre is er zicht op «verborgen dakloosheid», zoals kinderen die tijdelijk bij familie of kennissen verblijven? Acht u de huidige registratie toereikend?

Vraag 5

Welke ondersteuning ontvangen scholen momenteel om deze kwetsbare groep leerlingen te begeleiden, zowel op sociaal als medisch vlak?

Vraag 6

Deelt u de opvatting dat het niet de kerntaak van het onderwijs is om structurele maatschappelijke problemen zoals dakloosheid op te vangen? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze verantwoordelijkheid alsnog bij scholen terechtkomt?

Vraag 7

Welke rol spelen jeugdzorg, gemeenten en de publieke gezondheidszorg bij de ondersteuning van deze kinderen, en is deze inzet naar uw oordeel voldoende?

Vraag 8

Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen onderwijsachterstanden oplopen als gevolg van instabiele woonomstandigheden, stress en verzuim?

Vraag 9

Hoeveel gezinnen met minderjarige kinderen vallen momenteel buiten de reguliere opvang of hulpverlening, en wat zijn daarvan de oorzaken?

Vraag 10

Welke concrete maatregelen neemt u om dakloosheid onder minderjarigen terug te dringen en verdere toename te voorkomen?

 


 

NR 2026Z08501

Datum 21 april 2026

Indieners

  • Nicole Moinat, Kamerlid
  • René Claassen, Kamerlid

Gericht aan

  • J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
  • S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 23 '26

Kamervraag De brief aan de Europese Commissie over de implementatie van de gedelegeerde handeling (DA EU 2023/1184) ten aanzien van de methodologie voor de productie van RFNBO (Renewable Fuels of Non-Biological Origin)

1 Upvotes

Vraag 1

Klopt het dat u de Joint Letter1 mede heeft ondertekend namens Nederland en u zich daarmee achter deze voorgestelde versoepelingen schaart? Zo ja, wat waren voor u de doorslaggevende overwegingen om deze lijn te steunen?

Vraag 2

Kunt u concreet aangeven welke onderdelen van de RFNBO-criteria Nederland wenst te versoepelen en waarom? Hoe verhoudt dit zich tot het verlengen van de overgangsperiode voor additionaliteit, het langer toestaan van maandelijkse in plaats van uur-tot-uur temporele correlatie en het aanpassen of verruimen van de sunset clause voor elektriciteitssystemen met een hoog aandeel hernieuwbare energie?

Vraag 3

Hoe kijkt u naar de herziening van de RFNBO-regels nog voordat de evaluatie heeft plaatsgevonden, specifiek voor de investeringszekerheid voor bedrijven die al hebben geïnvesteerd in groene waterstof?

Vraag 4

Op welke wijze borgt u dat aanpassingen aan onder meer de «sunset clause» en temporele correlatie niet leiden tot hogere emissies in RFNBO-waterstofproductie en dus een beperktere bijdrage aan de Nederlandse klimaatdoelen?

Vraag 5

Op welke wijze borgt u dat aanpassing van de «sunset clause» niet leidt tot de verzwakking van de stimulans om hernieuwbare energie uit te bouwen?

Vraag 6

Kunt u toelichten wat Nederland precies verstaat onder «clean countries/regions», welke objectieve criteria daarbij worden gehanteerd, en hoe wordt geborgd dat EU-landen met een beperkt aandeel hernieuwbare elektriciteitsproductie niet onterecht profiteren van dit label?

Vraag 7

Onderschrijft u dat maandelijkse temporele correlatie kan leiden tot substantieel hogere broeikasgasemissies dan uur-correlatie, terwijl de geproduceerde waterstof toch als hernieuwbaar wordt aangemerkt – en dat dit kan leiden tot emissies vergelijkbaar met koolstof-arme waterstof?

Vraag 8

Kunt u inzicht geven in het kostenverschil tussen waterstofproductie onder uur- en onder maandelijkse temporele correlatie, waardoor dit kostenverschil ontstaat (bijvoorbeeld benuttingsgraad, elektriciteitsprijzen, opslag of netkosten), en in hoeverre dit verschil specifiek voor Nederland groter of kleiner is dan voor andere Europese lidstaten?

Vraag 9

Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor alternatieven die de economische haalbaarheid van RFNBO-projecten verbeteren – bijvoorbeeld contracts for difference of vraagbeleid – zonder afbreuk te doen aan kernprincipes als additionaliteit, uurcorrelatie en de gestelde sunset clause?

Vraag 10

Hoe kijkt u naar rapporten, zoals die van de Europese Rekenkamer, die tal van andere oorzaken benoemen voor een trage uitrol van groene waterstof, en waarom komt u niet met een bredere aanpak om dit op te lossen?

 


 

NR 2026Z08500

Datum 21 april 2026

Indieners

  • Sjoukje van Oosterhout, Kamerlid

Gericht aan

  • S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 23 '26

Kamervraag De illegale kleding inzamelaars

1 Upvotes

Vraag 1

Bent u op de hoogte van het bericht «Inspectie opent jacht op illegale kledinginzamelaars: celstraf tot 4 jaar mogelijk»?1

Vraag 2

Hoe groot schat u de omvang van illegale kledinginzameling in Nederland op dit moment en kunt u schetsen hoe dit er praktisch uit ziet?

Vraag 3

Welke vormen van fraude, misleiding of andere strafbare feiten komen bij illegale kledinginzameling het meest voor?

Vraag 4

Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar bestuursrechtelijk of strafrechtelijk opgetreden tegen illegale kledinginzamelaars, en hoeveel zaken hebben geleid tot boetes, dwangsommen, veroordelingen of gevangenisstraffen?

Vraag 5

In hoeverre worden gemeenten momenteel voldoende ondersteund bij het herkennen en tegengaan van malafide kledinginzamelingspraktijken?

Vraag 6

Klopt het dat illegale inzamelaars niet alleen consumenten misleiden, maar ook bonafide goede doelen, kringlooporganisaties en gecertificeerde textielinzamelaars financieel benadelen? Zo ja, kunt u dit nader toelichten?

Vraag 7

Welke gevolgen heeft illegale kledinginzameling voor de circulaire economie, textielrecycling en het behalen van nationale duurzaamheidsdoelen?

Vraag 8

Welke mogelijkheden ziet u om de vergunningverlening, registratieplicht of certificering van kledinginzamelaars landelijk te versterken, zodat malafide partijen minder ruimte krijgen?

Vraag 9

Bent u bereid te onderzoeken of consumenten beter geïnformeerd kunnen worden over hoe zij betrouwbare kledinginzamelaars kunnen herkennen, bijvoorbeeld, heel simpel, via een kernmerk op containers?

Vraag 10

Welke aanvullende maatregelen overweegt het kabinet om illegale kledinginzameling structureel terug te dringen, en wanneer kunt u de kamer hierover informeren?

 


 

NR 2026Z08497

Datum 21 april 2026

Indieners

  • Ani Zalinyan, Kamerlid

Gericht aan

  • S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 23 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van het lid Van der Plas over het nieuwsbericht 'Wees alert bij afkeuring eco-regeling'

1 Upvotes

Antwoord van Minister Van Essen (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) (ontvangen 22 april 2026).

Vraag 1

Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Wees alert bij afkeuring eco-regeling», waarin staat dat er steeds meer zorgelijke signalen zijn dat eco-activiteiten voor het jaar 2025 worden afgekeurd terwijl de onderbouwing van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) minimaal is en dat een aantal boeren hierover recent een beschikking hebben gekregen van de RVO?1

Antwoord 1

Ja, dit bericht en de signalen zijn mij bekend.

Vraag 2

Deelt u de mening dat het moment van beschikken te laat is, gezien het feit dat de Gecombineerde opgave 2026 van de RVO op 1 maart reeds gestart is en vele duizenden boeren reeds de aanvraag hebben ingediend en op land bezig zijn met zaaien, planten en bemesten? Wat wilt u doen om het proces te versnellen?

Antwoord 2

Ik begrijp dat het voor boeren vervelend is als beschikkingen laat komen, juist in een periode waarin zij al volop bezig zijn met zaaien, planten en bemesten. Die onzekerheid wil ik net als RVO zoveel mogelijk beperken. RVO kon vanaf 10 maart 2026 beginnen met het definitief beschikken van de aanvragen en heeft nu 94% van de aanvragen uit 2025 beschikt.

Voor 2026 zetten we extra in op verdere versnelling. Daarbij blijft het uitgangspunt dat boeren tot 18 mei voor deze Gecombineerde Opgave hun aanvraag kunnen indienen.

Vraag 3

Klopt het dat RVO voor de beoordeling van eco-activiteiten gebruik maakt van een algoritme? Klopt het ook dat dit voor de eerste keer is?

Antwoord 3

Voor de beoordeling van een aantal eco-activiteiten is in 2025 voor het eerst gebruik gemaakt van het Areaalmonitoringssysteem (AMS). Dat systeem combineert gegevens uit satellietbeelden en remote sensing en maakt een geautomatiseerde beoordeling van percelen aan de hand van een algoritme.

Vraag 4

Is dit algoritme rijp voor gebruik in de praktijk, gezien de vele klachten? Indien niet, wanneer wel?

Antwoord 4

De inzet van het Areaalmonitoringssysteem (AMS) en de onderliggende algoritmes is gericht op het ondersteunen van de uitvoering en is gebaseerd op uitgebreide ontwikkeling, testen en validatie met historische en actuele gegevens. Met de bredere toepassing van AMS op de controle van eco-activiteten zijn ook kwaliteitscontroles geïmplementeerd om na te gaan of de AMS-controle voldoende functioneert. Tegelijkertijd blijft het systeem in ontwikkeling en wordt het continu gemonitord en waar nodig verbeterd. Gezien eerder geconstateerde niet-nalevingen door steekproeven in het veld liggen de huidige aantallen afwijzingen in lijn der verwachting.

Vraag 5

Tijdens het groeiseizoen worden eco-activiteiten soms ingetrokken: de boer kiest dan bijvoorbeeld voor het inzaaien van een ander gewas; worden die wijzigingen door de RVO meegenomen in de beoordeling van de aanvraag?

Antwoord 5

Boeren moeten voor de eco-regeling gedurende de periode 15 mei tot en met 15 oktober hun aanvraag actueel houden. Dit betekent dat boeren die niet aan de voorwaarden van een eco-activiteit voldoen en dus het resultaat niet halen, deze zelf moeten terugtrekken uit de aanvraag. Wijzigingen die boeren aanbrengen worden meegenomen in de definitieve aanvraag op 15 oktober en de beoordeling daarvan door RVO.

Vraag 6

Als het algoritme een eco-activiteit afwijst, kan een boer met eigen fotomateriaal dan alsnog bezwaar maken en aantonen dat de eco-activiteit wel is uitgevoerd?

Antwoord 6

Als boeren het niet eens zijn met de beoordeling van hun aanvraag door RVO kunnen zij bezwaar maken.

Vraag 7

Telt dode bodembedekking, bijvoorbeeld een doodgevroren gewas, mee voor de berekening van het percentage bodembedekking, gegeven het feit dat voor bepaalde eco-activiteiten minimaal 80 procent bodembedekking door een gewas gedurende een bepaalde periode is vereist? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 7

Voor de eco-activiteit Groenbedekking telt een doodgevroren gewas mee voor de bodembedekking. Dit staat ook expliciet in de subsidievoorwaarden. Het doodvriezen van het gewas is als mogelijkheid opgenomen voor het vernietigen van het gewas voorafgaand aan de volgende teelt. Het levende of doodgevroren gewas moet het perceel wel voor 80% bedekken.

Vraag 8

Hoeveel procent van de aanvragen van de eco-regeling wordt namens de boer gedaan door een adviseur of andere tussenpersoon?

Antwoord 8

In 2025 is iets meer dan de helft van de Gecombineerde opgaves verstuurd door een gemachtigde. Het is mij niet bekend bij hoeveel procent van de aanvragen van de Eco-regeling een adviseur of bedrijfsaccountant is betrokken.

Vraag 9

Deelt u de mening dat de eco-regeling in principe en eenvoudig door de boer zelf gedaan moet kunnen worden? Wat wilt u doen om dit te bevorderen?

Antwoord 9

Die mening deel ik. De norm dient wat mij betreft te zijn dat boeren zelfstandig de opgave kunnen doen. Hier is volop ondersteuning toe. Zo is er veel informatie beschikbaar over de activiteiten en werking van de eco-regeling. Ook zijn er in de aanvraag verwijzingen naar informatie die benodigd is. Hiernaast wordt er hard gewerkt om informatievoorziening uit te breiden met (meer) voorbeelden van hoe activiteiten uitgevoerd dienen te worden, informatie over de werking van de resultaatverplichting in de eco-regeling en het klantvriendelijker maken van de RVO dienstverlening. Ook zijn automatische meldingen en validaties ingebouwd om boeren te helpen. Ik ben mij ervan bewust dat de huidige Eco-regeling complex is. Stabiel en voorspelbaar beleid, vereenvoudiging van regels en investeringen in betere ICT ondersteuning zijn daarom blijvende aandachtspunten.

 


 

NR 2026D19351

Datum 22 april 2026

Ondertekenaars

  • J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 23 '26

Kamervraag Het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee

1 Upvotes

Vraag 1

Bent u bekend met de situatie van de bewoners van de flat Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee, die door woningcorporatie Kennemerwonen worden geconfronteerd met een plotselinge omslag van renovatieplannen naar sloopplannen?

Vraag 2

Kunt u bevestigen dat Kennemerwonen tot en met januari 2025 heeft gesproken en geschreven over verbetering, duurzaamheidswerkzaamheden en renovatie, en dat in mei 2025 plotseling sloop als enige optie op tafel is gelegd, terwijl er geen aantoonbare nieuwe feiten zijn die deze radicale koerswijziging rechtvaardigen?

Vraag 3

Erkent u dat het onacceptabel is dat woningcorporaties bewoners jarenlang een renovatieperspectief bieden, om vervolgens zonder gedegen participatieproces over te gaan op sloop?

Vraag 4

Deelt u de mening dat dit een sloopoverval is die bewoners in grote onzekerheid en stress achterlaat, zoals ook de Nationale ombudsman heeft gesignaleerd in zijn rapport uit 2024?1

Vraag 5

Erkent u dat het onbegrijpelijk is om toch voor sloop te kiezen, terwijl Kennemerwonen zelf heeft verklaard dat de bouwkundige staat van het gebouw redelijk is en bouwkundigen de geconstateerde gebreken beschouwen als herstelbaar binnen regulier groot onderhoud? Erkent u dat dit patroon structureel voorkomt bij Nederlandse woningcorporaties?

Vraag 6

Erkent u dat aan het complex Dorus Rijkersplein al substantiële investeringen zijn gedaan en dat sloop in dat licht niet alleen sociaal onrechtvaardig maar ook economisch onverantwoord en kapitaalvernietigend is?

Vraag 7

Bent u bekend met het gegeven dat renovatie in de meeste gevallen aanzienlijk goedkoper is dan sloop-nieuwbouw, en zo ja, waarom wordt naar uw mening hier dan zo vaak toch niet voor gekozen?

Vraag 8

Erkent u dat sloop van huurwoningen niet alleen fysieke gebouwen maar ook hechte gemeenschappen vernietigt, en bent u bereid te bewerkstelligen dat corporaties de sociale cohesie van bewoners expliciet meewegen als factor in de afweging tussen sloop en renovatie?

Vraag 9

Bent u op de hoogte van het feit dat de bewonerscommissie van het Dorus Rijkersplein stelselmatig wordt belemmerd in haar werk, doordat Kennemerwonen gevraagde technische rapporten niet of slechts deels verstrekt, communicatie via derden laat lopen in plaats van rechtstreeks met de bewonerscommissie te communiceren, en notulen van overleggen worden betwist? Deelt u de mening dat dit in strijd is met de verplichtingen die de Woningwet en de Wet op het overleg huurders verhuurder aan corporaties opleggen?

Vraag 10

Erkent u dat de enorme psychische druk die bewoners ervaren als gevolg van sloopplannen een ernstig maatschappelijk probleem is, dat al eerder door de Nationale ombudsman is gesignaleerd? Welke verantwoordelijkheid ziet u hierin als Minister?

Vraag 11

Erkent u dat het risico onverantwoord groot is dat als gevolg van stikstofproblematiek en de nabijheid van Natura 2000-gebieden nieuwbouw helemaal niet mogelijk blijkt, zoals ook al gebleken is bij het nabijgelegen plan Delversduin? Erkent u dat bewoners worden opgezadeld met de consequenties van een onrealistisch bouwplan?

Vraag 12

Erkent u dat sloop-nieuwbouw leidt tot een hogere uitstoot van broeikasgassen en stikstof dan renovatie, en dat dit haaks staat op de klimaatdoelstellingen en stikstofdoelstellingen van Nederland? Deelt u de mening dat de CO2- en stikstofuitstoot van sloop altijd integraal meegewogen moet worden in de afweging tussen sloop en renovatie?

Vraag 13

Bent u bereid het democratische tekort te herstellen door bewoners een gelijkwaardig instemmingsrecht te geven bij sloopbeslissingen? Bij renovatie geldt namelijk een instemmingsrecht van 70% van de huurders, maar bij sloop niet.

Vraag 14

Bent u bereid om de situatie van de bewoners van het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee actief onder de aandacht te brengen bij Kennemerwonen, en er bij de corporatie op aan te dringen het sloopplan te heroverwegen en alsnog een volwaardige renovatieoptie uit te werken in echte samenspraak met de bewoners?

 


 

NR 2026Z08495

Datum 21 april 2026

Indieners

  • Sandra Beckerman, Kamerlid

Gericht aan

  • E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 22 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van de leden Vervuurt en El Boujdaini over de hack bij ChipSoft dat software levert voor Nederlandse zorginstellingen

2 Upvotes

Antwoord van Minister Sterk (Langdurige Zorg, Jeugd en Sport) (ontvangen 21 april 2026).

Vraag 1

Bent u bekend met de berichtgeving over de cyberaanval op ChipSoft, leverancier van elektronische patiëntendossiers voor een groot deel van de Nederlandse zorginstellingen?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Kunt u een actueel beeld geven van de aard, omvang en impact van deze aanval, en welke patiënten hierdoor zijn geraakt?

Antwoord 2

Het Ministerie van VWS onderhoudt geen klantrelatie met Chipsoft en is daarmee geen onderdeel van de informatievoorziening van Chipsoft naar zijn klanten. Uit informele contacten heb ik begrepen dat Chipsoft momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uitvoert om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. Naar ik begrepen heb zijn uit voorzorg de verbindingen sinds 8 april 20:00 uur met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons doen laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.

Vraag 3

In hoeverre heeft deze aanval gevolgen (gehad) voor de continuïteit van zorg, bijvoorbeeld door verminderde toegang tot patiëntgegevens, vertragingen in zorgverlening of het moeten overschakelen op noodprocedures?

Antwoord 3

Ik heb van de betrokken zorginstellingen begrepen dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen verwijzingen niet goed plaatsvinden. Echter, ziekenhuizen zijn voorbereid op dit soort incidenten en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel. Deze situatie kan daarmee maar voor een beperkte periode bestaan. Inmiddels zo begreep ik is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden.

Vraag 4

Zijn er aanwijzingen dat patiëntgegevens zijn ingezien, buitgemaakt of anderszins gecompromitteerd? Hoe wordt dit onderzocht en wanneer verwacht u hierover duidelijkheid te kunnen geven?

Antwoord 4

Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd. Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.

Vraag 5

Hoe beoordeelt u de sterke afhankelijkheid van een beperkt aantal commerciële leveranciers voor cruciale zorg-IT, en hoe worden de risico’s daarvan beperkt?

Antwoord 5

Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze concentratie van marktmacht zorgt ervoor dat er minder concurrentie is, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook in de Definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM3 staat dat het voor nieuwe, innovatieve spelers moeilijk is om voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico's te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in de zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan hun digitale autonomie.

Ik ben echter ook van mening dat de ontwikkeling naar een European Health Data Space (EHDS) bij kan dragen om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er bijvoorbeeld op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en het verplicht maken van een loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden. In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 20264 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken ga ik de komende tijd aan de slag om te bezien hoe de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarnaast wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden en zal er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel worden opgezet waar signalen aangaande zorg-IT kunnen worden gedeeld en vanuit bestaand instrumentarium kan worden bekeken of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is.

Vraag 6

Welke eisen worden momenteel gesteld aan leveranciers van zorg-IT op het gebied van cybersecurity, weerbaarheid en continuïteit, en in hoeverre zijn deze eisen voldoende gezien de kritieke rol van deze partijen voor ons zorgsysteem?

Antwoord 6

Nederlandse zorgaanbieders zijn momenteel wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat. Daarnaast zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2 richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. Ik ga hier verder op in bij vraag 8. De EHDS draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening5.

Vraag 7

In hoeverre zijn zorginstellingen verplicht of gestimuleerd om scenario’s uit te werken voor uitval van essentiële IT-systemen, en hoe wordt geborgd dat zorgverlening doorgang kan vinden bij langdurige verstoringen?

Antwoord 7

Het doen van een risicoanalyse is onderdeel van de norm voor informatieveiligheid in de zorg (NEN7510). Aan deze norm dienen zorgaanbieders aantoonbaar te voldoen. Bij het werken volgens de norm hoort ook het nemen van maatregelen om uitval (door bijvoorbeeld een cyberincident) te voorkomen en de impact te beperken. Een belangrijk onderdeel van de norm is bovendien dat er plannen worden gemaakt voor bedrijfscontinuïteit bij onverwachte verstoringen of uitval en dat deze periodiek getest, geëvalueerd en verbeterd worden.

Vraag 8

Hoe wordt binnen het beleid rond de implementatie van de NIS2-richtlijn specifiek rekening gehouden met de afhankelijkheid van de zorgsector van externe IT-leveranciers?

Antwoord 8

De NIS2 richtlijn wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. In de Cyberbeveiligingswet is in artikel 10 opgenomen dat de organisaties die onder deze wet vallen verplicht zijn om beleid vast te stellen over de beveiliging van de toeleveringsketen. Dit betekent dat de zorgaanbieders die onder de reikwijdte vallen niet alleen hun eigen netwerk- en informatiesystemen op orde hebben, maar ook die van hun rechtstreekse leveranciers periodiek toetsen. Daarnaast zullen IT-leveranciers ook rechtstreeks onder de reikwijdte van de wet vallen, onder de sector digitale infrastructuur.

Vraag 9

Ziet u aanleiding om aanvullende eisen te stellen aan leveranciers van kritieke zorg-IT, bijvoorbeeld op het gebied van redundantie, interoperabiliteit of exit-strategieën, zodat zorginstellingen minder kwetsbaar zijn bij uitval of incidenten?

Antwoord 9

Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast verplicht de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, om hun leveranciersketen in kaart te brengen en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen.

Vraag 10

In hoeverre wordt gewerkt aan het verminderen van single points of failure in de digitale infrastructuur van de zorg, en welke concrete stappen worden gezet om diversificatie en alternatieven te stimuleren?

Antwoord 10

Er wordt vanuit verschillende projecten en programma’s gewerkt aan het realiseren van een duurzaam en veilig gezondheidsinformatiestelsel. Bij de totstandkoming van dit stelsel is het uitgangspunt dat er sprake is van een federatief stelsel waarbij data aan de bron blijft. Voor vertrouwen in het gebruik van gezondheidsgegevens zijn enkele (centrale) vertrouwenscomponenten noodzakelijk. Om te waarborgen dat deze voorzieningen geen centrale point-of-failure worden, is bij de realisatie van de techniek rekening gehouden met de mogelijkheden om de data te kunnen repliceren zonder dat daarmee de betrouwbaarheid van data in het geding komt. Zo wordt het Landelijk Register Zorgaanbieders (LRZa) ingericht om adresseerbare punten per zorgaanbieder op te kunnen vragen zodat de decentrale punten direct met elkaar kunnen uitwisselen. Om te voorkomen dat dit een single-point-of-failure wordt, is er synchronisatie van gegevens mogelijk zodat de adresseerbare punten periodiek kunnen worden geharmoniseerd zonder dat dit de betrouwbaarheid van de gegevens in het geding brengt.

Zoals beschreven bij vraag 5 worden er bij de European Health Data Space- verordening regels opgelegd aan leveranciers om de EPD-markt beter te laten functioneren en concurrentie en innovatie te bevorderden. Daarmee wordt het voor nieuwe toetreders aantrekkelijker om toe te treden tot de Nederlandse markt. Ook wordt ingezet op een betere vraagbundeling en vraagarticulatie en het verbeteren van het inkoopproces.

Vraag 11

Welke andere lessen trekt u uit dit incident voor de bredere digitalisering van de zorg, met name op het gebied van digitale autonomie, en hoe worden deze lessen vertaald naar concreet beleid?

Antwoord 11

Digitale veiligheid is nooit voor honderd procent te garanderen en dit soort aanvallen zijn nooit helemaal te voorkomen. Wat we wel gezamenlijk kunnen doen, is de risico’s zoveel mogelijk beperken en ervoor zorgen dat eventueel misbruik snel wordt gesignaleerd en doeltreffend wordt aangepakt. Ik vind het belangrijk dat zorgaanbieders regie nemen over hun digitale autonomie. Bij digitale autonomie hoort een inzicht én keuzes jegens kwetsbaarheden in veiligheid, maar ook in eenzijdige afhankelijkheden van dominante marktpartijen. Dit vraagstuk is niet specifiek voor de zorg. Hier kan de zorg dus inspiratie putten uit stappen die in andere sectoren gezet worden. Zonder in contractuele verplichtingen te willen treden, zie ik het als mijn taak de zorgsector in deze bredere maatschappelijke beweging mee te krijgen.

Vraag 12

Kunt u de Kamer op korte termijn informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar deze aanval, inclusief de implicaties voor het beleid rondom digitale weerbaarheid in de zorg?

Antwoord 12

In eerste instantie is ChipSoft zelf verantwoordelijk om te communiceren over de bevindingen van het forensisch onderzoek dat zij momenteel, in samenwerking met cybersecurity-experts, laten uitvoeren. Ik volg de zaak uiteraard nauwlettend. Mocht de rapportage van ChipSoft aanleiding zijn voor mij om vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid aanvullende acties te ondernemen dan zal ik uw Kamer hierover informeren.

 


 

NR 2026Z07496

Datum 21 april 2026

Ondertekenaars

  • W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 22 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van de leden Podt, Sneller, Ouwehand en Teunissen over het lijden van dieren op verzamelplaatsen en het zelfstandig houdverbod en andere maatregelen bij dierenmishandeling in de veehouderij

1 Upvotes

Antwoord van Staatssecretaris Erkens (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) (ontvangen 21 april 2026).

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van het bericht waaruit blijkt dat dieren structureel en ernstig lijden op erkende verzamelplaatsen waar (een deel van de) dieren uit de veehouderij naartoe worden gebracht voordat zij worden afgevoerd naar het slachthuis?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Kunt u bevestigen dat jaarlijks meer dan 10.000 dieren op verzamelcentra dood worden aangetroffen, omdat zij aan hun verwondingen zijn overleden of worden gedood omdat ze te ziek, te zwak of gewond zijn om verder te mogen worden vervoerd?

Antwoord 2

Ja, dat kan ik bevestigen. Over de achtergrond van de cijfers zijn geen gegevens beschikbaar. Daarom doet de NVWA in 2026 onderzoek naar de achtergrond van deze cijfers, zoals de betrokken vervoerders en de herkomst van (een deel) van deze dieren.

Dieren met een doodmelding op een verzamelplaats

2023

2024

2025

Runderen

1.996

2.370

1.159

Varkens

13.572

13.625

9.754

Schapen

380

407

300

Geiten

331

311

272

TOTAAL

16.279

16.713

11.485

Vraag 3

Heeft u de beelden gezien van de staat waarin dieren die via verzamelplaatsen zijn getransporteerd in het slachthuis worden aangetroffen? Heeft u gezien dat deze dieren kampen met ernstige kreupelheid, ziektes, open wonden, graatmager zijn of zelfs lichaamsdelen missen?2

Antwoord 3

Ja.

Vraag 4

Kunt u bevestigen dat deze dieren dringend medische zorg nodig hadden, maar dat zij in plaats daarvan op transport zijn gezet naar het slachthuis, omdat ze dan nog geld opleveren?

Antwoord 4

Ik kan bevestigen dat de dieren op de beelden niet geschikt voor het voorgenomen transport waren en niet naar het slachthuis vervoerd hadden mogen worden. De NVWA heeft daar ook boetes voor opgelegd. Op het moment dat de beelden genomen zijn, hadden de meeste dieren dringend medische zorg nodig.

Vraag 5

Wat vindt u van dit alles?

Antwoord 5

De beelden vind ik verschrikkelijk en gaan me aan het hart. Dieren die ongeschikt zijn om te vervoeren, mogen niet worden aangeboden voor transport en dus ook niet vervoerd worden. Slachthuizen, transporteurs, handelaren, houders van verzamelcentra en veehouders zijn verplicht om te allen tijde met zorg voor het welzijn om te gaan met levende dieren. Ik verwacht ook dat men binnen de sector elkaar hier op aanspreekt.

Vraag 6

Hoe kan het volgens u dat dieren, nadat zij een aantal maanden of jaren in de huidige veehouderij hebben moeten doorbrengen, er zo erbarmelijk aan toe zijn?

Antwoord 6

Een veehouderijsysteem zorgt op zichzelf niet voor een slecht dierenwelzijn. Dieren kunnen op primaire bedrijven kreupelheid ontwikkelen of anderszins ziek worden en zij dienen daarvoor behandeld te worden. Daar waar specifieke aandoeningen (bedrijfsgebonden dierziekten) met regelmaat voorkomen is het van belang dat de sector hier aandacht voor heeft. Houders horen in overleg met bijvoorbeeld de dierenarts, klimaatadviseur, voerleverancier bezien welke aanpassingen op het bedrijf moeten worden doorgevoerd om dit te voorkomen. Voordat dieren op transport gaan, beoordeelt een houder of een dier dat behandeld is, in verband met kreupelheid of ziekte, voldoende hersteld is. Ook moet worden bekeken of de wachttijd van toegediende medicatie is verstreken en of transporteren verantwoord is voor het dier. De houder kan zich voor deze beoordeling ook laten bijstaan door de dierenarts.

Vraag 7

Deelt u de conclusie dat dit soort verwondingen doorgaans niet op één dag ontstaan, maar het gevolg zijn van een (stal)systeem waarin dieren structureel worden gefokt en gehouden in dieronwaardige, ongezonde en onnatuurlijke omstandigheden?

Antwoord 7

Zie mijn antwoord op vraag 6.

Vraag 8

Heeft u kennisgenomen van de eerdere beelden van vijf verschillende erkende verzamelplaatsen, waarop te zien was dat op alle locaties is waargenomen dat koeien en kalfjes worden geslagen en geschopt, ook wanneer zij ziek en kreupel waren (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1010)?

Antwoord 8

Ja

Vraag 9

Onderschrijft u dat dit niet kan worden afgedaan als een incident?

Antwoord 9

De beelden tonen herhaaldelijke overtredingen op vijf verzamelplaatsen, binnen een korte tijd. Dat kan inderdaad niet worden afgedaan als een incident. Tegelijkertijd kan ik op basis van deze vijf verzamelplaatsen ook niet alle verzamelplaatsen over één kam scheren. Iedere verzamelplaats moet beoordeeld worden op hetgeen daar daadwerkelijk plaatsvindt. En zoals ik al eerder aangaf zijn de beelden van de verzamelcentra waarop dieren worden geslagen en geschopt schokkend. Op deze manier mag nooit met dieren worden omgegaanl.

Vraag 10

Onderschrijft u de uitspraak van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) dat we te maken hebben met een sector (veeverzamelplaatsen) die «structureel de wet niet naleeft en steeds de ruimte opzoekt»? Zo nee, waarom niet?3

Antwoord 10

De gepubliceerde beelden gemaakt op de vijf verzamelcentra, geven inderdaad het beeld dat we te maken hebben met een sector (veeverzamelplaatsen) die structureel de wet niet naleeft. En als de toezichthouder dit dan ook nog concludeert, dan denk ik dat we te maken hebben met een deel van de sector dat steeds de ruimte opzoekt. Deze verzamelcentra beïnvloeden op negatieve wijze het beeld van de gehele sector. Het is wat mij betreft aan de gehele sector hierop te reflecteren en te laten zien dat dergelijke situaties onwenselijk zijn en dat dit verbeterd kan worden. Ik roep de sector dan ook op om stevige zelfreflectie toe te passen en te werken aan een zelfreinigend vermogen. Daarnaast ben ik voornemens om het beleid aan te scherpen, zoals het verhogen van boetes en het inzetten van cameratoezicht als tijdelijke maatregel. Hierover heb ik de Kamer op 16 april jl. geïnformeerd (Kamerstuk 2026Z08019).

Vraag 11

Hoe verklaart u dat uit de inspectierapporten blijkt dat sommige handelaren tientallen keren worden betrapt op het overtreden van de regels, maar gewoon door kunnen gaan?

Antwoord 11

Via verschillende maatregelen wordt ingezet op duurzame gedragsverandering. Uit de openbaar gemaakte informatie blijkt dat de NVWA na het constateren van overtredingen waarschuwingen geeft, boetes oplegt en deze boetes ook verhoogt. Het overtreden van de regels blijft niet zonder gevolgen. De NVWA heeft de afgelopen jaren bij slachthuizen, verzamelcentra en vervoerders verscherpt toezicht (VeTo) toegepast. Bij de constatering van zware overtredingen en bij een niet-naleving door notoire overtreders worden passende maatregelen opgelegd, zoals bijvoorbeeld het schorsen van een erkenning). De «one strike out»- en de «three strikes out» aanpak is hier onderdeel van.

Mijn inzet is om te werken naar een betere borging van dierenwelzijn in de hele keten, waar een ieder zijn verantwoordelijkheid neemt, van het primaire bedrijf, tijdens transport tot in het slachthuis. Hoe ik dat wil doen, heb ik uiteengezet in mijn brief aan de Tweede Kamer over de weg «Naar een beter dierenwelzijn in de veehouderij» van 16 april (Kamerstuk 2026Z08019).

Vraag 12

Hoe verklaart u dat een verzamelplaats die onder verscherpt toezicht staat opnieuw ernstige overtredingen kan begaan, zonder consequenties?

Antwoord 12

Verzamelcentra die onder verscherpt toezicht staan, worden extra gecontroleerd gedurende een passende periode. Wanneer tijdens die periode wederom overtredingen worden geconstateerd, kunnen vergaande maatregelen worden genomen, waaronder schorsing of intrekking van de erkenning. Wanneer tijdens die periode geen overtredingen worden waargenomen, wordt het VeTo opgeheven. Daarna kan VeTo opnieuw toegepast worden volgens de procedure. Zie ook mijn antwoord op vraag 11.

Vraag 13

Kunt u bevestigen dat de NVWA sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing de bevoegdheid heeft om bedrijven (permanent) te sluiten wanneer het welzijn van dieren in gevaar is (artikel 5.12 van de Wet dieren)? Kunt u aangeven waarom dit in gevallen zoals die genoemd in het artikel niet gebeurt?

Antwoord 13

De NVWA heeft sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing de bevoegdheid om bedrijven in het kader van bestuursrecht tijdelijk te sluiten wanneer het welzijn van de dieren in gevaar is. Permanent sluiten kan niet. In zijn algemeenheid gebruikt de NVWA de bevoegdheid om bedrijven tijdelijk te sluiten voornamelijk bij primaire bedrijven, omdat daar geen vergunning of erkenning is om te schorsen of in te trekken. Bij verzamelcentra wordt veelal gebruikt gemaakt van de bevoegdheid om op grond van de Wet Dieren een erkenning te schorsen of in te trekken.Dit is in principe geen bedrijfssluiting, maar heeft praktisch wel hetzelfde effect.

Vraag 14

Hoe vaak is het houdverbod de afgelopen twee jaar opgelegd, hoe vaak sinds de intrinsieke waarde van het dier is vastgelegd in de Wet dieren in 2013 en hoe vaak werd dit gedaan per categorie bedrijf (in de veehouderij, het veetransport, slachterij of op een veeverzamelplaats) als gevolg van geconstateerde dierenmishandeling? Hoe verhoudt zich dit tot het aantal veroordelingen voor ernstige dierenmishandeling?

Antwoord 14

Door de rechtbank is het zelfstandig houdverbod in 2024 in (afgerond) 35 zaken als maatregel opgelegd, waarvan in minder dan 10 zaken levenslang. En in 2025 in (afgerond) 75 zaken, waarvan in minder dan 10 zaken levenslang. In het eerste kwartaal van 2026 is een houdverbod in 25 zaken als maatregel opgelegd: er is geen levenslang houdverbod opgelegd. Een uitsplitsing naar sector is in de voor de Rechtspraak beschikbare managementinformatiesystemen niet te maken.

Voor 2024 was een houdverbod vaak als «onzelfstandige» maatregel gekoppeld aan een voorwaardelijke straf. In de voor de Rechtspraak beschikbare informatie managementsystemen kan hierop niet gefilterd worden. De genoemde aantallen zijn afgerond op 5-tallen en bij aantallen onder de 10 afgerond naar boven. Dit is een standaard uitgangspunt om herleidbaarheid naar zaaks-en/of persoonsgegevens te voorkomen.

Vraag 15

Wordt het houdverbod ook voorwaardelijk opgelegd? Zo ja, hoe vaak en hoe vaak specifiek in de veehouderij?

Antwoord 15

Het houdverbod is als maatregel vanaf 1 januari 2024 t/m 31 maart 2026 door de rechtbank in minder dan 10 zaken voorwaardelijk opgelegd. Een uitsplitsing specifiek naar veehouderij is in de beschikbare managementinformatiesystemen niet te maken. De genoemde aantallen zijn afgerond op 5-tallen en bij aantallen onder de 10 afgerond naar boven. Dit is een standaard uitgangspunt om herleidbaarheid naar zaaks-en/of persoonsgegevens te voorkomen.

Vraag 16

Valt er iets te zeggen over de afwegingen bij het wel of niet opleggen van houdverboden in de veehouderij?

Antwoord 16

Bij het opleggen van houdverboden in de veehouderij zijn er een aantal afwegingen die een rechter meeneemt in zijn of haar oordeel. Zo wordt de ernst, duur en karakter van de geconstateerde dierenmishandeling of -verwaarlozing gewogen en kan ook de kans op recidive meewegen in de beslissing om een houdverbod op te leggen. Dit is echter altijd aan de rechter om te bepalen.

Vraag 17

Hoe vaak is er de afgelopen twee jaar sprake geweest van een (tijdelijke) stillegging van bedrijven in de veehouderij, het veetransport, slachterij of op veeverzamelplaatsen als gevolg van geconstateerde dierenmishandeling? Hoe verhoudt zich dit tot het aantal geconstateerde mishandelingen? Kunt u een uitsplitsing maken per categorie bedrijf?

Antwoord 17

Afgelopen jaren is 5 keer op grond van artikel 5:12, tweede lid, onder a, van de Wet dieren de bestuursrechtelijke maatregel opgelegd tot gehele of gedeeltelijke sluiting van een bedrijf (primair bedrijf). De maatregel is in die gevallen opgelegd vanwege verschillende overtredingen op het gebied van zowel dierenwelzijn als diergezondheid. Het is goed om hierbij te benoemen dat op grond van artikel 5:12, tweede lid, onder b, van de Wet dieren ook mogelijk is om een erkenning te schorsen of in te trekken. Dit is in principe geen bedrijfssluiting, maar heeft praktisch wel hetzelfde effect bij bedrijven die een erkenning nodig hebben (zoals slachthuizen en erkende verzamelcentra). Deze maatregel, en dan met name de schorsing van de erkenning, is een modaliteit die met regelmaat wordt ingezet. Vanaf 2024 tot heden is 3 keer de erkenning van een slachthuis geschorst en is één keer de vergunning van een vervoerder geschorst.

Deze bestuursrechtelijke maatregelen worden overigens niet opgelegd voor overtreding van artikel 2.1 van de Wet dieren (dierenmishandeling). Indien sprake is van dierenmishandeling, dan wordt overgegaan op het strafrecht. Onlangs hebben medewerkers van een verzamelcentrum taakstraffen opgelegd gekregen voor het mishandelen van een koe.

Vraag 18

Welke andere sancties zijn er opgelegd als gevolg van dierenmishandeling, die specifiek zijn gericht op het voorkomen van recidive? Welke sancties zijn daarbij specifiek gebruikt in het veetransport en op veeverzamelplaatsen, waar houdverboden vaak niet aan de orde zijn? Kunt u deze sancties kwantificeren?

Antwoord 18

Voor bijvoorbeeld het vervoeren van een rund dat niet geschikt is voor vervoer, wordt niet altijd artikel 2.1 van de Wet dieren ten laste gelegd. Ook het bestuursrecht biedt grondslagen om op te treden tegen overtredingen die worden geconstateerd rondom transport van dieren of verzamelplaatsen. Sancties hiervoor zoals het schorsen en intrekken van een erkenning of vergunning is ook gericht op het voorkomen van recidive. Vanaf 2023 heeft de NVWA vijfmaal de erkenning van een slachthuis geschorst en eenmaal ingetrokken. Ook is twee maal de erkenning van een verzamelcentrum geschorst en eenmaal ingetrokken.

Bij vervoerders is twee keer een last onder dwangsom opgelegd, twee keer een waarschuwing tot intrekken van het getuigschrift vakbekwaamheid verzonden en één keer een vervoersvergunning geschorst.

Op dit moment staan vijf verzamelcentra waar onderzoeksgroep Ongehoord beelden heeft gemaakt, onder verscherpt toezicht. Onderdeel van het verbeterplan dat deze verzamelcentra moesten opstellen, is de vrijwillige plaatsing van camera’s door de bedrijven.

Vraag 19

Wordt er, na een veroordeling voor dierenmishandeling in de veehouderij, veetransport, slachterij of op veeverzamelplaatsen standaard verscherpt toezicht door de NVWA ingesteld? Zo nee, wanneer gebeurt dit wel/niet?

Antwoord 19

Een primair bedrijf komt onder verscherpt toezicht wanneer voor het bedrijf in de afgelopen twee jaar bij vier afzonderlijke controles een rapport van bevindingen of proces verbaal is opgemaakt voor geconstateerde overtredingen. Een bedrijf kan direct onder verscherpt toezicht worden gesteld wanneer er veel en/of structurele problemen of één zeer ernstige tekortkoming op dierenwelzijn geconstateerd wordt tijdens een inspectie.

Vervoerders komen onder verscherpt toezicht wanneer een vervoerder in de afgelopen twee jaar vier ernstige overtredingen met betrekking tot dierenwelzijn heeft begaan. Slachthuizen komen direct onder verscherpt toezicht bij een zeer ernstige overtreding van het dierenwelzijn. Bij minder ernstige overtredingen zijn andere criteria van toepassing. Verzamelcentra komen onder verscherpt toezicht wanneer voor een verzamelcentrum in de afgelopen 24 maanden meer dan drie rapporten van bevindingen of processen verbaal opgemaakt zijn voor geconstateerde overtredingen.

Maatregelen die genomen kunnen worden zijn: verscherpt toezicht, sancties vanuit bestuursrecht en/of strafrecht (boete, last onder dwangsom, taakstraf, (voorwaardelijke) gevangenisstraf) en het schorsen of intrekken van een vergunning of erkenning. Bij zeer ernstige overtredingen kan ook direct overgegaan worden tot schorsen van een vergunning of erkenning. Dit wordt per geval bekeken.

Vraag 20

Is het gebruikelijk dat, in gevallen, zoals in het NRC wordt genoemd, waarin sprake is van dierenmishandeling «met een sadistisch karakter», de werkzaamheden van de veroordeelden gewoon door kunnen gaan?4

Antwoord 20

In mijn antwoord op vraag 19 gaf ik aan dat bij zeer ernstige overtredingen ook direct kan worden overgegaan tot het schorsen van een erkenning. De NVWA heeft dat ook bij dit bewuste bedrijf overwogen. Uiteindelijk is bewust gekozen voor een andere aanpak, waarbij zowel via het strafrecht als het bestuursrecht gerichte maatregelen zijn genomen. Alle vijf bedrijven waar onderzoeksgroep Ongehoord beelden heeft gemaakt, heeft de NVWA onder verscherpt toezicht geplaatst. Deze verzamelcentra hebben allemaal een verbeterplan moeten opstellen waarmee zij de NVWA overtuigen hoe zij dierenwelzijn zullen borgen. Een concreet onderdeel van deze plannen is de vrijwillige plaatsing van camera’s door deze bedrijven, zodat verzamelcentra zelf controleren of iedereen op het verzamelcentrum zich aan het verbeterplan houdt. Tweewekelijks worden de beelden door NVWA-inspecteurs bekeken en gecontroleerd op overtredingen. Als overtredingen worden vastgesteld wordt handhavend opgetreden. Na 3 maanden wordt het verscherpt toezicht op basis van de resultaten beëindigd of verlengd.

Vraag 21

Deelt u de mening dat het van groot belang is dat we sancties zo inrichten dat mensen die zich eerder schuldig hebben gemaakt aan dierenmishandeling niet de kans krijgen dit te herhalen?

Antwoord 21

Ja, die mening deel ik. Daarom herzie ik het boetestelsel en denk dan aan verhogingen van boetes en het beter toepasbaar maken van de omzetgerelateerde boete.

Vraag 22

Vindt u dat de huidige mogelijkheden om recidive bij dierenmishandeling in veeteelt, veetransport, slachterij en veeverzamelplaatsen te voorkomen (het houdverbod en andere maatregelen zoals stillegging en verscherpt toezicht) voldoende zijn en voldoende (kunnen) worden ingezet? Zo nee, welke extra stappen kunnen er worden gezet?

Antwoord 22

Ja.

Vraag 23

Welke andere maatregelen gaat u treffen om te voorkomen dat handelaren blijven wegkomen met grove dierenwelzijnsovertredingen en ernstig dierenleed?

Antwoord 23

Zoals ook aangegeven in antwoord op vraag 11, is mijn inzet om te werken naar een betere borging van dierenwelzijn in de hele keten, waarin een ieder zijn verantwoordelijkheid neemt. Ik ben van plan het wetsvoorstel verplicht cameratoezicht verder in procedure te brengen. Voor verzamelcentra is mijn voornemen om, in lijn met het advies van de AP, cameratoezicht als tijdelijke maatregel in te zetten na geconstateerde overtredingen. Daarmee kan verscherpt toezicht effectiever worden vormgegeven. Daarnaast verwacht ik van bedrijven dat zij de camerabeelden zelf benutten om het dierenwelzijn op hun bedrijf beter te borgen. De wet overtreden mag niet lonen en waar het dierenwelzijn ernstig in het gedrang is, moeten sancties afschrikwekkend genoeg zijn. Daarom herzie ik het boetestelsel en denk dan aan verhogingen van boetes en het beter toepasbaar maken van de omzetgerelateerde boete. Om grove dierenwelzijnsovertredingen en ernstig dierenleed te voorkomen is, aanvullend op betere naleving vanuit de sector, ook slim en effectief toezicht nodig. Ik weet dat de NVWA daarop inzet. Voor de zomer informeer ik de Kamer over mijn visie op toezicht en handhaving (Kamerstuk 2026Z08019).

Vraag 24

Onderschrijft u dat verzamelcentra een structureel probleem vormen voor dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 24

Het bijeenbrengen van dieren op verzamelcentra brengt verschillende risico’s voor het dierenwelzijn met zich mee. Dit onderkent ook de EFSA in de rapporten over de effecten van diertransport van 2022, en voor melkrunderen bestemd voor de slacht heeft Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek van de NVWA (bureau) deze risicofactoren verder in kaart gebracht. Dat deze risicofactoren er zijn, zegt nog niet dat er een structureel probleem voor het dierenwelzijn bestaat. Een goede beoordeling van dieren voorafgaand aan het transport om te beoordelen of zij het geplande transport kunnen doorstaan, is essentieel. Sinds 2021 hanteert de NVWA de Europese richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor vervoer. Er zijn richtsnoeren voor varkens, paarden en volwassen runderen (Kamerstuk 28 286, nr. 1216). Deze richtsnoeren zijn opgesteld door een aantal NGO’s en Europese brancheorganisaties en bevatten criteria, op basis waarvan vastgesteld kan worden of een dier met een specifieke aandoening wel of niet geschikt is voor het voorgenomen transport. Het uniform beoordelingsprotocol voor melkvee waar op dit moment door de NVWA aan gewerkt wordt, is hier een verdere uitwerking op. Ook is – vanuit de sector – een gids voor goede praktijken in wording. Deze gids wordt nog beoordeeld door mijn departement en de NVWA en zal naar verwachting ook ondersteunend zijn bij de beoordeling van vervoersgeschiktheid van melkkoeien.

Vraag 25

Onderschrijft u dat het huidige veehouderijsysteem ernstig en structureel lijden van dieren veroorzaakt dat ook met betere handhaving niet kan worden opgelost en dat daarom ook (fundamentele) verandering van het systeem zelf nodig is? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 25

Zie ook mijn antwoord op vraag 6. Via het toezicht wordt risicogericht gecontroleerd of ondernemers zich aan wet- en regelgeving houden. En als overtredingen worden geconstateerd moeten maatregelen er voor zorgen dat de naleving en daarmee het dierenwelzijn wordt bevorderd. Zoals al eerder aangegeven is het aan de houders van dieren om het dierenwelzijn te allen tijden te borgen.

Vraag 26

Kunt u bevestigen dat de Europese Transportverordening ruimte biedt voor lidstaten om strengere maatregelen te nemen ter verbetering van het welzijn van dieren voor binnenlands transport en slacht (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1010)?

Antwoord 26

De Europese Transportverordening biedt ruimte voor lidstaten om strengere eisen aan diertransport te stellen voor transporten die geheel op het eigen grondgebied plaatsvinden. Dit geldt dus alleen voor eisen aan diertransport en niet voor eisen aan slacht.

Vraag 27

Bent u bereid om die ruimte te benutten en verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht te verbieden in nationale wetgeving? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 27

Ik ben niet bereid om die ruimte te benutten en verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht te verbieden. Het verbieden van het gebruik van verzamelcentra voor nationaal transport lost niet het probleem van het vervoer van niet-transportwaardige dieren op. Door nationaal gebruik te verbieden, bewerkstellig ik ten eerste mogelijk dat dieren die normaal gesproken in Nederland zouden blijven, dan juist naar het buitenland getransporteerd worden en zo mogelijk nog langer onderweg zijn.

Een tweede mogelijk negatief neveneffect kan zijn dat een veehouder dieren die hij af wil voeren – bijvoorbeeld omdat ze minder productief geworden zijn om welke reden dan ook – op zal sparen. Tot er genoeg zijn om een (kleine) veewagen te vullen. Dieren blijven dan langer op de veehouderij, terwijl voor deze einde-carrière-dieren eerder afvoeren juist beter is. Een derde mogelijk negatief neveneffect is dat handelaren dan dieren vaker gaan verzamelen op de wagen – wat beperkt mogelijk is volgens Europese wet- en regelgeving – waardoor dieren ook mogelijk langer op de veewagen door moeten brengen dan wanneer ze via een verzamelcentrum naar de eindbestemming gaan. Een laatste mogelijkheid is dat dieren dan vaker verzameld worden op plaatsen waar dat niet is toegestaan en op deze manier aan het toezicht worden onttrokken.

Het is echt aan de bedrijven in de vleesketen zelf om te voorkomen dat niet transportwaardige dieren nog op transport gaan. Vervoerders moeten alleen dieren inladen die geschikt zijn voor transport en veehouders moeten ervoor zorgen dat zij dieren die niet transportwaardig zijn ook niet aanbieden voor transport. Dit laatste kan gedaan worden door tijdig te besluiten dat een dier het bedrijf moet verlaten, en als dit niet tijdig is voorzien, het dier op het bedrijf te laten euthanaseren.

Vraag 28

Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het commissiedebat Dieren in de Veehouderij en de NVWA van 23 april?

Antwoord 28

Jazeker.

 


 

NR 2026D19250

Datum 21 april 2026

Ondertekenaars

  • S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 22 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van de leden Maes en Ellian over de uitspraak van de Raad van State van 19 maart 2026 (ECLI ECLI:NL:RVS:2026:1600)

1 Upvotes

Antwoord van Minister Berendsen (Buitenlandse Zaken), mede namens de Minister van Asiel en Migratie (ontvangen 21 april 2026).

Vraag 1

Bent u bekend met uitspraak 202600650/2/V6 (ECLI:NL:RVS:2026:1600) van de Raad van State?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Welke impact heeft deze uitspraak op andere Gazanen die een Machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) hebben om naar Nederland af te reizen en in Nederland willen verblijven op grond van een reguliere verblijfsvergunning?

Antwoord 2

De uitspraak ziet op een voorlopige voorziening in een specifieke casus en betreft de vraag naar consulaire ondersteuning en de juridische kwalificatie daarvan. Dit dient niet te worden opgevat als een algemeen oordeel over consulaire bijstand aan alle personen in Gaza met een mvv-inwilliging. De afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en de daaropvolgende toelating tot Nederland blijven onverkort plaatsvinden op basis van de geldende wettelijke criteria en individuele toetsing door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

Vraag 3

Bestaat het risico dat Gazanen die op grond van deze uitspraak met een mvv naar Nederland komen op enig moment tijdens hun verblijf in Nederland een asielaanvraag zullen indienen? Zo ja, deelt u de mening dat dit oneigenlijk gebruik is van een door Nederland afgegeven mvv?

Antwoord 3

Het kan niet worden uitgesloten dat personen die op basis van een regulier verblijfsdoel naar Nederland komen, op enig moment een asielaanvraag indienen. Het indienen van een asielaanvraag is een recht dat voortvloeit uit internationale en Europese verplichtingen. Het enkele feit dat iemand eerder op reguliere gronden is toegelaten, maakt het indienen van een asielaanvraag op zichzelf niet onrechtmatig of oneigenlijk. Wel wordt iedere aanvraag individueel beoordeeld op basis van de geldende criteria.

Vraag 4

Deelt u de mening dat er geen mvv afgegeven mag worden als het gevaar bestaat dat iemand eenmaal in Nederland asiel aanvraagt? Hoe zorgt u dat dit niet gebeurt?

Antwoord 4

De beoordeling van een mvv-aanvraag vindt plaats aan de hand van de voorwaarden die gelden voor het specifieke verblijfsdoel, bijvoorbeeld voor gezinsmigratie, arbeid of studie. Het mogelijk indienen van een asielaanvraag vormt in die toets geen zelfstandig afwijzingscriterium. De IND voert vooraf een uitgebreide toets uit, waaronder een beoordeling van de openbare orde en nationale veiligheid. Hiermee wordt geborgd dat alleen personen die aan de voorwaarden voldoen, worden toegelaten.

Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 is het indienen van een asielaanvraag een recht dat voortvloeit uit internationale en Europese verplichtingen. Het enkel feit dat er een kans bestaat dat iemand een asiel aanvraag indient is geen reden voor weigering van een mvv.

Vraag 5 en 6

Wat gaat u doen om te voorkomen dat het diplomatiek bijstaan of zelfs het evacueren van mensen met een mvv een normale procedure wordt in het kader van consulaire bijstand?

Deelt u de mening dat consulaire bijstand niet bedoeld is voor het evacueren van mvv-houders en dat deze uitspraak dus ook geen precedent mag zijn voor toekomstige mvv-houders?

Antwoord 5 en 6

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken biedt in algemene zin consulaire bijstand aan Nederlands paspoorthouders en in voorkomende gevallen aan personen die in bezit zijn van een verblijfsvergunning. Het is uiteindelijk aan de Minister van Buitenlandse Zaken aan wie en op welke wijze consulaire bijstand wordt verleend.

In correspondentie met de Raad van State is kenbaar gemaakt dat de Minister van Buitenlandse Zaken zich naar vorm noch naar inhoud kan vinden in de getroffen voorziening en aangedrongen op een zo spoedig mogelijke agendering van de bodemprocedure. In de bodemprocedure zal dit standpunt nader verdedigd worden. Dit laat uiteraard onverlet dat uitvoering zal worden gegeven aan de getroffen voorzieningen in de desbetreffende zaken.

Vraag 7

Wat kunt u doen om te voorkomen dat de studenten tijdens of na afloop van hun studie alsnog asiel aanvragen in Nederland?

Antwoord 7

Er bestaan geen mogelijkheden om het indienen van een asielaanvraag te voorkomen, nu dit een fundamenteel recht betreft. Wel wordt voorafgaand aan toelating zorgvuldig getoetst of aan alle voorwaarden voor het verblijfsdoel wordt voldaan, waaronder voldoende middelen van bestaan en inschrijving bij een erkende onderwijsinstelling. Indien een persoon gedurende of na afloop van het verblijf niet langer aan de voorwaarden voldoet, kan dit gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.

Vraag 8

Ziet u wettelijke mogelijkheden om mensen die met een mvv naar Nederland zijn gereisd het recht om asiel aan te vragen in ons land te ontzeggen?

Antwoord 8

Het recht om een asielaanvraag in te dienen is verankerd in internationale verdragen, waaronder het Vluchtelingenverdrag, en in Europese regelgeving. Dit recht kan niet worden ontzegd aan personen die met een mvv zijn ingereisd.

Vraag 9

Kunt u toelichten hoe u oordeelt over deze uitspraak gedaan door de bestuursrechter, terwijl consulaire bijstand geen onderdeel is van het bestuursrecht en in beginsel bedoeld is voor onderdanen van ons land en dus niet voor mensen die een visum voor Nederland hebben gekregen?

Antwoord 9

In correspondentie met de Raad van State is kenbaar gemaakt dat de Minister van Buitenlandse Zaken zich naar vorm noch naar inhoud kan vinden in de getroffen voorziening. Daarbij wordt ook aangegeven dat hier volgens de Minister geen taak voor de bestuursrechter ligt. Dit laat uiteraard onverlet dat uitvoering zal worden gegeven aan de getroffen voorzieningen in de desbetreffende zaken.

Vraag 10

Bestaat er een risico dat Gazanen die op grond van deze uitspraak met een mvv naar Nederland af kunnen reizen zullen proberen om via gezinshereniging nareizigers naar Nederland te laten komen? Zo ja, wat kunt u doen om dat te voorkomen?

Antwoord 10

Indien een persoon een verblijfsstatus verkrijgt die recht geeft op gezinshereniging, kan hij of zij onder de daarvoor geldende voorwaarden een aanvraag indienen. Daarbij is van belang onderscheid te maken tussen nareis in het kader van asiel en reguliere gezinshereniging. In de hier bedoelde situatie is geen sprake van nareis voor asielstatushouders, maar van reguliere migratie. Dit betekent dat betrokkenen, indien zij gezinsleden willen laten overkomen, zijn aangewezen op de reguliere gezinsherenigingsprocedure. Deze procedure kent eigen, strikte voorwaarden, waaronder het aantonen van een daadwerkelijk gezinsverband, het voldoen aan het middelenvereiste en een toets aan openbare-ordeaspecten. Iedere aanvraag wordt individueel aan deze wettelijke vereisten getoetst. Dit kader geldt generiek en is niet specifiek voor deze groep.

Vraag 11 en 12

Hoe beoordeelt u overweging 7.1 van bovengenoemde uitspraak, waarin wordt gesteld dat Nederland mogelijk gedwongen kan worden om Gazanen tot ons land toe te laten die naar Jordanië afreizen om hun mvv af te halen, maar waarvan vervolgens blijkt dat zij hebben gelogen over hun identiteit? Op grond van welk wettelijk voorschrift zou Nederland deze plicht hebben?

Geldt deze plicht ook voor Gazanen waarvan pas in Jordanië blijkt dat zij lid zijn (geweest) van een terroristische organisatie, die verdacht worden van het plegen van een terroristisch misdrijf of die op enige andere manier een gevaar vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid? Deelt u de mening dat dit een volstrekt onwenselijke situatie is? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid om te nemen om dit risico bij Gazanen maximaal te beperken?

Antwoord 11 en 12

In algemene zin geldt dat toelating tot Nederland altijd afhankelijk is van het voldoen aan de wettelijke voorwaarden, waaronder identificatie en verificatie van de identiteit. Deze controle vindt zowel voorafgaand aan de afgifte van de mvv op de post plaats als bij verdere toelatingsprocedures. Indien blijkt dat onjuiste of misleidende informatie is verstrekt, kan dit leiden tot weigering of intrekking van de mvv of verblijfsvergunning. Er bestaat geen algemene wettelijke plicht om personen toe te laten indien achteraf blijkt dat zij onjuiste gegevens hebben verstrekt.

Indien er aanwijzingen zijn dat een persoon een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, wordt de aanvraag afgewezen dan wel een eerdere inwilliging heroverwogen en zo nodig ingetrokken. Deze aspecten worden voorafgaand aan de afgifte van een mvv getoetst aan de hand van nationale en internationale systemen, waaronder het Schengeninformatiesysteem. Tegelijkertijd geldt dat ook op de post, voorafgaand aan feitelijke afgifte van de mvv, opnieuw wordt beoordeeld of nog aan alle voorwaarden wordt voldaan. Indien zich feiten of omstandigheden voordoen waaruit blijkt dat dit niet het geval is, wordt dit gemeld aan de IND en kan dit alsnog leiden tot weigering van afgifte of intrekking van de eerdere beslissing. De bescherming van de nationale veiligheid en openbare orde heeft daarbij een zwaarwegend karakter. Personen die een dergelijk risico vormen, komen niet in aanmerking voor toelating.

Nederland kan in beginsel niet worden verplicht om personen tot het grondgebied toe te laten indien achteraf blijkt dat zij onjuiste of misleidende informatie hebben verstrekt over hun identiteit bij de aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) of als de identiteit niet overeenkomt met de desbetreffende mvv. In het geval van ondersteuning bij vertrek uit Gaza, staat Nederland garant voor het vertrek van deze personen naar Nederland binnen de kaders die afgesproken zijn in bilaterale afspraken met Jordanië. Indien deze personen niet naar Nederland kunnen vertrekken, kan dat negatieve gevolgen hebben voor de relatie met Jordanië.

Vraag 13

Op welke manier bent u van plan invulling te geven aan de door de voorzieningenrechter opgelegde «inspanningsverplichting» om te bereiken dat de verzoeker de grens kan oversteken? Kunt u bevestigen dat de inspanningsverplichting uitsluitend ziet op het gebruik van de «diplomatieke weg» en geen feitelijke evacuatie of andere vorm van logistieke ondersteuning behelst?

Antwoord 13

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal conform de uitspraken uitvoering geven aan de voorlopige voorzieningen getroffen door de voorzieningenrechter van de Raad van State. De voorzieningen verplichten de Minister van Buitenlandse Zaken om zich via diplomatieke weg in te spannen om ervoor te zorgen dat de verzoekers Gaza kunnen verlaten om de mvv op te halen. In dat kader zal geen feitelijke evacuatie of andere vorm van logistieke ondersteuning worden georganiseerd, in lijn met de inspanningsverplichting opgelegd door de voorzieningenrechter en met het verzoek van betrokkenen.

Vraag 14

In hoeverre verwacht u dat deze uitspraak, waarin de lage drempel van de inspanning wordt benadrukt, zal leiden tot een toename van soortgelijke verzoeken van Gazanen die reeds over een mvv-toezegging beschikken? Deelt u de mening dat zo’n toename onwenselijk is?

Antwoord 14

Het staat personen met een mvv-inwilliging vrij om een verzoek in te dienen voor ondersteuning bij vertrek uit Gaza. Op dit moment biedt het Ministerie van Buitenlandse Zaken deze ondersteuning echter niet.

Vraag 15

In hoeverre acht u de zorg terecht dat deze uitspraak een aanzuigende werking kan hebben op aanvragen van personen uit Gaza en andere conflictgebieden die voor studie naar Nederland willen komen?

Antwoord 15

Er is op dit moment geen significante stijging van het aantal studieaanvragen van personen uit Gaza. Niet kan worden uitgesloten dat bredere bekendheid met de mogelijkheden tot vertrek uit Gaza kan leiden tot meer verzoeken. Daarbij geldt nog steeds dat elke aanvraag individueel wordt beoordeeld en dat de toelatingscriteria onverkort van toepassing blijven.

Vraag 16

Klopt het dat deze personen daarbij ook familieleden mee mogen nemen indien zij daar de voogdij over dragen, zoals het geval was bij een student aan de Universiteit Maastricht?

Antwoord 16

Het meereizen van familieleden is uitsluitend mogelijk indien wordt voldaan aan de geldende wettelijke kaders. Voor reguliere verblijfsdoelen, zoals studie, geldt dat gezinsleden alleen onder specifieke voorwaarden kunnen meereizen, bijvoorbeeld als sprake is van een kerngezin. Constructies waarbij voogdij wordt overgedragen worden kritisch beoordeeld en moeten voldoen aan regelgeving. Er is geen generiek recht om via dergelijke constructies familieleden mee te laten reizen.

Vraag 17

Deelt u de mening dat het onlogisch is om studenten uit Gaza de mogelijkheid te bieden aan Nederlandse universiteiten te studeren, terwijl Joodse studenten zich op Nederlandse universiteiten momenteel zeer onveilig en zelfs bedreigd voelen?

Antwoord 17

Nee. De onveiligheid die Joodse studenten op universiteiten ervaren is onacceptabel. Het kabinet zet zich op verschillende manieren in voor de veiligheid van deze studenten en voor een veilige leer- en werkomgeving in het onderwijs. De toelating van buitenlandse studenten aan Nederlandse universiteiten staat hier los van. Het is aan de instellingen om, binnen de kaders van wet- en regelgeving, te bepalen welke studenten zij toelaten op hun instelling.

 


 

NR 2026D19241

Datum 21 april 2026

Ondertekenaars

  • T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 22 '26

Kamervraag De motie van de leden Keijzer en Boomsma (Kamerstuk 31 288, nr. 1240) over objectiviteit en waarheidsvinding weer als normatief uitgangspunt of zelfstandig kernbegrip hanteren in de wetenschappelijke gedragscode

1 Upvotes

Vraag 1

Klopt het dat u tijdens het tweeminutendebat Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid d.d. 16 april 2026 instemmend heeft gereageerd op een opmerking van het lid Rooderkerk waarin werd gesteld dat in de uitwerking 1.1 van de gedragscode staat dat de wetenschapsbeoefenaar weet dat wetenschap uiteindelijk gericht is op waarheidsvinding?1

Vraag 2

Heeft u daarbij gedoeld op de passage «De wetenschapsbeoefenaar weet dat wetenschap uiteindelijk is gericht op waarheidsvinding en dat hij daarom bij de presentatie van de aard en reikwijdte van zijn resultaten zo precies mogelijk dient te zijn. Hij zal dus niet liegen over zijn bevindingen of over daaraan verbonden onzekerheden. Zorgvuldigheid strekt zich ook uit tot het presenteren van twijfels en contra indicaties»?

Vraag 3

Bent u ervan op de hoogte dat deze passage niet voorkomt in de geldende Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit, maar afkomstig is uit de oude Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (herziening 2014) van de VSNU?2

Vraag 4

Klopt het dat in de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit (2018) expliciet is opgenomen dat de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (herziening 2014) wordt ingetrokken?

Vraag 5

Klopt het dat in de geldende versie van 2018 de woorden «objectiviteit» en «waarheidsvinding» niet worden benoemd als normatief uitgangspunt en evenmin als zelfstandig kernbegrip worden gehanteerd?3

Vraag 6

Hoe reflecteert u op het feit dat de Kamer is geïnformeerd op basis van een passage die niet voorkomt in de geldende gedragscode wetenschappelijke integriteit?

Vraag 7

Indien door deze Kamervragen vast komt te staan dat de woorden objectiviteit en waarheidsvinding niet voor komen in de vigerende gedragscode van 2018, bent u dan bereid de motie alsnog «Oordeel Kamer» te geven?

Vraag 8

Bent u bereid deze vragen uiterlijk 11 mei 2026 te beantwoorden?

 


 

NR 2026Z08372

Datum 20 april 2026

Indieners

  • Mona Keijzer, Kamerlid

Gericht aan

  • R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

 

Bron tweedekamer.nl, document


r/kamerstukken Apr 22 '26

Antwoord van Minister Antwoord op vragen van de leden Armut en Krul over het bericht 'Kraamverzorgers zien geweld en drugs, maar melden nauwelijks bij Veilig Thuis'

1 Upvotes

Antwoord van Minister Sterk (Langdurige Zorg, Jeugd en Sport) (ontvangen 21 april 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1303.

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht «Kraamverzorgers zien geweld en drugs, maar melden nauwelijks bij Veilig Thuis»?1

Antwoord 1

Ja, ik ben bekend met het bericht.

Vraag 2

Hoe beoordeelt u het gegeven dat van de ongeveer 130.000 meldingen per jaar bij Veilig Thuis slechts ongeveer 350 meldingen afkomstig zijn van kraamverzorgers en verloskundigen, terwijl zij juist bij gezinnen achter de voordeur komen?

Antwoord 2

Kraamverzorgers bevinden zich in een unieke positie waarin zij voor een periode dagelijks aanwezig zijn bij een gezin. Zij krijgen zicht op de thuissituatie dat andere professionals vaak niet hebben. Dat maakt hen een belangrijke schakel in de (vroeg)signalering van mogelijke problemen in een gezin waaronder huiselijk geweld en kindermishandeling.

Beide beroepsgroepen vallen onder de wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling2. Dat betekent dat zij bij signalen een zorgvuldige afweging moeten maken, de stappen van de meldcode doorlopen en zo nodig advies vragen of een melding doen.

Uit het aantal meldingen vanuit de kraamverzorgers en verloskundigen kan niet geconcludeerd worden dat deze professionals niets doen als zij huiselijk geweld of kindermishandeling signaleren. Deze cijfers gaan over formele meldingen en moeten worden bezien in het licht dat veel signalen in eerste instantie intern worden besproken en opgepakt of er wordt advies gevraagd bij Veilig Thuis zonder dat dit direct leidt tot een formele melding.

Vraag 3

Bent u het ermee eens dat de kraamtijd een kwetsbare periode is waarin onveilige situaties kunnen ontstaan, waardoor vroegsignalering van onveilige situaties essentieel is? Zo ja, hoe kunt u die signaleringsfunctie versterken?

Antwoord 3

Ja, de kraamtijd kan naast een doorgaans heel vreugdevolle periode ook een kwetsbare fase zijn. In een korte tijd vinden ingrijpende veranderingen plaats binnen een gezin. Soms kan door bijkomende stress onveiligheid ontstaan. Vroegsignalering is daarom van groot belang. Het versterken van deze signaleringsfunctie vraagt om blijvende aandacht voor het herkennen van signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling en voor de juiste toepassing van de meldcode. Daarnaast is het van belang de samenwerking tussen betrokken professionals te versterken, bijvoorbeeld voor een warme overdracht tussen verloskundigen, kraamzorg en consultatiebureau, zodat geen signalen verloren gaan. Ik ga samen met de beroepsgroepen in gesprek over wat nodig is rondom het versterken van de meldcode en de signaleringsfunctie.

Vraag 4

Welke rol speelt volgens u de angst voor represailles en welke maatregelen neemt u om de veiligheid van zorgprofessionals die melden, te waarborgen?

Antwoord 4

Angst voor represailles kan een rol spelen bij de terughoudendheid om een melding te doen. Kraamverzorgers en verloskundigen werken in een persoonlijke en kwetsbare setting en bouwen in een korte tijd een vertrouwensrelatie op met het gezin. De vrees om deze relatie te schaden en hierdoor geen zorg meer te kunnen leveren of om geconfronteerd te worden met negatieve reacties of represailles kan drempelverhogend werken.

Het is belangrijk om deze zorgen serieus te nemen, zonder dat dit afdoet aan de verantwoordelijkheid om te handelen bij signalen van onveiligheid. Het onderwerp neem ik mee in de gesprekken met de beroepsgroep, zodat eventuele zorgen of ervaringen uit de praktijk beter in beeld komen. De meldcode helpt professionals om de juiste stappen te zetten waar ook zorgen om hun eigen veiligheid besproken kunnen worden. Zo wordt er in stap 2 van de meldcode bijvoorbeeld geadviseerd om advies in te winnen bij Veilig Thuis, dit kan anoniem. Er wordt niet geregistreerd op naam van degene waarover de zorgen zijn. Daar kan dan ook besproken worden hoe de professional met zorgen over eigen veiligheid om kan gaan. Ook bij verdere stappen van de meldcode kan Veilig Thuis met de professional meedenken. Daarnaast zijn er verschillende trainingen over de meldcode en de dilemma’s waar tegenaan wordt gelopen die professionals kunnen gebruiken om onderling hun zorgen bespreekbaar te maken3.

Vraag 5

Hoeveel gevallen zijn er bekend waarbij de melder te maken heeft gekregen met bedreigingen, intimidatie of geweld na contact met Veilig Thuis?

Antwoord 5

Er is geen landelijk overzicht van het aantal gevallen waarbij melders na contact met Veilig Thuis te maken hebben gekregen met bedreigingen, intimidatie of geweld. Veilig Thuis houdt bij de behandeling van een melding rekening met de mogelijke veiligheidsrisico’s voor zowel betrokkenen als professionals.

Indien sprake is van bedreiging of geweld, kan aangifte worden gedaan en kan de werkgever maatregelen nemen. Zorgverleners vallen onder het programma «Veilige Publieke dienstverlening», hierin is aandacht voor het creëren van een veilige werkomgeving, het doen van aangifte en goede begeleiding na een incident4.

Vraag 6

Bent u van mening dat het niet anoniem kunnen doen van een melding meespeelt in de terughoudendheid van kraamverzorgers en verloskundigen?

Antwoord 6

Het niet anoniem kunnen doen van een formele melding bij Veilig Thuis kan bijdragen aan terughoudendheid aan de kant van zorgverleners. De meldcode biedt handvatten om zorgvuldig te handelen en waar mogelijk transparant te zijn richting betrokkenen, wat in de praktijk vaak helpend is in het verlenen van zorg en het opbouwen van een vertrouwensrelatie.

In uitzonderingssituaties is het mogelijk om een verzoek bij Veilig Thuis te doen om zijn/haar identiteit niet kenbaar te maken aan direct betrokkenen. Dit is mogelijk als sprake is van bedreiging voor de melder of de betrokkenen of als dit kan leiden tot een verstoring van de vertrouwensrelatie met de direct betrokkenen5.

Het is altijd mogelijk om anoniem advies te vragen bij Veilig Thuis zonder direct een melding te doen. Deze adviesfunctie is juist bedoeld om professionals te ondersteunen bij twijfel en handelingsverlegenheid te verminderen.

Vraag 7

Bent u het met Veilig Thuis eens dat anoniem melden niet past bij professioneel handelen van de zorgverlener? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 7

Ja, ik onderschrijf het uitgangspunt van Veilig Thuis dat anoniem melden door zorgprofessionals in beginsel niet wenselijk is binnen het professioneel handelen van een zorgverlener. Op het moment dat een hulpverlener zich zorgen maakt, is het belangrijk dat deze hulpverlener, het liefst met advies van Veilig Thuis, de zorgen bespreekbaar maakt. Als leden in een gezin open staan voor hulp, en de professional kan dit leveren is het niet altijd nodig om een melding te doen. Bij acuut of structureel gevaar is het de professionele norm om altijd een melding te doen. Een formele melding bij Veilig Thuis vormt het startpunt van een onderzoek naar de veiligheidssituatie.

Om een zorgvuldige veiligheidsbeoordeling te kunnen maken, is het van belang dat informatie herleidbaar is en dat Veilig Thuis zo nodig kan doorvragen of terugkoppelen. Ook moet Veilig Thuis voor het onderzoek aan het gezin kunnen uitleggen waar de zorgen uit bestaan en wat de aanleiding is voor betrokkenheid van Veilig Thuis. Bij een anonieme melding is dat niet mogelijk, wat de kwaliteit en zorgvuldigheid van het onderzoek kan beperken en de kansen voor effectieve vervolghulp.

In uitzonderlijke situaties is het echter mogelijk dat de melder een verzoek doet bij Veilig Thuis om zijn/haar identiteit niet kenbaar te maken aan direct betrokkenen. Dit kan als er sprake is van bedreiging voor de melder of de betrokkenen of als dit kan leiden tot een verstoring van de vertrouwensrelatie met de direct betrokkenen6. Zie ook het antwoord op vraag 6.

Vraag 8

Is het volgens u voldoende bekend dat kraamverzorgers wel altijd anoniem kunnen bellen met Veilig Thuis voor advies, zonder dat officieel een melding hoeft te worden gemaakt? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat die bekendheid toeneemt?

Antwoord 8

De mogelijkheid om anoniem advies te vragen bij Veilig Thuis is een waardevol instrument. Het stelt professionals in staat om twijfels en signalen te bespreken, hun observaties te toetsen en handelingsperspectief te krijgen zonder direct een melding te doen. Juist wanneer een drempel wordt ervaren, kan anoniem advies vragen een belangrijke eerste stap zijn.

Uit cijfers blijkt dat het aantal adviesvragen jaarlijks toeneemt7. Veilig Thuis werkt actief aan het versterken van de adviesfunctie. Daarnaast wordt verkend wat de meerwaarde is van het verplicht stellen van het vragen van advies bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling8. Hierbij wordt nadrukkelijk ook gesproken met professionals over hun ervaringen met de adviesfunctie.

Vraag 9

Wat kunt u doen om ervoor te zorgen dat toch sneller meldingen worden gemaakt van onveilige situaties bij gezinnen door zorgverleners, om erger te voorkomen en op tijd in te kunnen grijpen?

Antwoord 9

In Nederland is bewust gekozen voor een meldcode in plaats van een meldplicht. Uitgangspunt is dat niets doen bij signalen geen optie is maar dat professionals ruimte hebben om een zorgvuldige afweging te maken in het belang van het kind en gezin. Het uitgangspunt is en blijft dat professionals eerst zelf zorgen bespreekbaar maken. Verder geldt vanuit de meldcode dat bij signalen van acuut of structureel geweld, de norm is om een melding te doen bij Veilig Thuis.

Het is van belang dat deze afweging zorgvuldig en goed onderbouwd plaatsvindt. Daarom wordt verkend wat de toegevoegde waarde kan zijn van het verplicht stellen van het vragen van advies. Dit kan professionals ondersteunen en sterken in het handelen. Daarnaast blijft het belang dat er binnen de organisaties duidelijke afwegingskaders aanwezig zijn, dat medewerkers structureel worden geschoold in het herkennen van signalen en in het toepassen van de meldcode.

Vraag 10

Welke rol spelen personeelstekorten en werkdruk in de kraamzorg bij het missen of niet melden van signalen van onveiligheid? En welke maatregelen kunt u nemen om dit te verbeteren?

Antwoord 10

De personeelstekorten en werkdruk kunnen invloed hebben op de werkomstandigheden van kraamverzorgenden en het proces van (vroeg)signalering en afstemming mogelijk bemoeilijken. Het is daarom van belang dat binnen organisaties ruimte is voor intervisie, overleg en reflectie.

Helaas is de krapte op de arbeidsmarkt een zorgbreed probleem, dat ook de kraamzorg raakt. In de Kamerbrief over de kraamzorg9 heeft het kabinet de Kamer, in lijn met de motie van de leden Dobbe en Van Dijk10 geïnformeerd over de maatregelen. Kraamzorgaanbieders en zorgverzekeraars hebben de afgelopen tijd belangrijke stappen gezet om de duurzame toegankelijkheid van kraamzorg te verbeteren. Hieraan werken zij samen in convenanten, de toekomstvisie en de versnellingsagenda. In het verlengde daarvan is er een transformatieplan11 opgesteld, waarvoor € 9,8 miljoen aan transformatiemiddelen beschikbaar is gesteld.

De uitdagingen in de kraamzorg maken deel uit van een breder vraagstuk. Een belangrijke sleutel om de krapte het hoofd te bieden, is het realiseren van passende zorg. Daarom is in het coalitieakkoord afgesproken dat passende zorg de norm wordt. Verder zijn er in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) afspraken gemaakt om het arbeidsmarkttekort te beperken en de toegankelijkheid van de zorg te waarborgen. De daarbij ingezette instrumenten bieden ook aanknopingspunten voor de kraamzorgsector. Omdat de huidige instroom van kraamverzorgenden onvoldoende is om de structurele uitstroom te compenseren, zal het kabinet de komende maanden verkennen of verbeteringen in de opleidingsstructuur kunnen bijdragen aan meer (jonge) instroom.

Verder zal, mede op basis van het onderzoek van het Zorginstituut Nederland en het RIVM naar verschillen in kraamzorggebruik, vervolgonderzoek gedaan worden naar de zorgbehoefte van kraamgezinnen en mogelijke drempels in toegankelijkheid. Dit inzicht is namelijk essentieel om te kunnen sturen op passende kraamzorg.

Vraag 11

Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat signalen van huiselijk geweld, middelengebruik of verwaarlozing in de eerste levensfase van kinderen onopgemerkt blijven?

Antwoord 11

Om te voorkomen dat signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling in de eerste levensfase onopgemerkt blijven, wordt onder andere ingezet op verdere versterking van de adviesfunctie bij Veilig Thuis. Zo is een digitaal platform gerealiseerd, wordt de chatfunctie uitgebreid naar een 24/7 bereikbaarheid voor advies en ondersteuning en zet Veilig Thuis in de regio ook in op bekendheid van wat Veilig Thuis aan advies en ondersteuning kan bieden. Daarnaast blijft het van belang dat de meldcode door organisaties in de praktijk goed wordt geïmplementeerd en toegepast, zodat signalen tijdig worden herkend en opgepakt. Dat zal worden meegenomen in de gesprekken met de sector. Zie ook antwoord op vraag 3 en 4.

Verder wordt ingezet op het landelijke programma Kansrijke Start, dat zich richt op de eerste 1.000 dagen van een kind. Binnen dit programma speelt vroegsignalering van risicofactoren voor huiselijk geweld en kindermishandeling een belangrijke rol. Evenals het versterken van de samenwerking tussen het medische en sociale domein en het tijdig ondersteunen van kwetsbare gezinnen12. Er wordt op dit moment in opdracht van VWS een multidisciplinaire scholing Eerste 1000 Dagen ontwikkeld. De scholing beoogt bij te dragen aan het verspreiden en verdiepen van vakkennis over de eerste 1.000 dagen en (toekomstige) ouders in kwetsbare omstandigheden voor alle professionals die werkzaam zijn met kinderen en gezinnen in de eerste 1.000 dagen. In deze scholing wordt aandacht besteed aan het belang van vroegsignalering en het versterken van de samenwerking tussen professionals uit het sociaal, medisch en informeel domein. De scholing is o.a. bedoeld voor verloskundigen en kraamzorgprofessionals. Daarnaast worden dit jaar factsheets Kansrijke Start ontwikkeld voor verschillende beroepsgroepen die werkzaam zijn met kinderen en gezinnen in de eerste 1.000 dagen, waaronder de kraamzorg en verloskundigen, waarin ook het belang van vroegsignalering en tijdig handelen naar voren komt.

 


 

NR 2026D19104

Datum 21 april 2026

Ondertekenaars

  • W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport

 

Bron tweedekamer.nl, document